Geschreven: eind 1932
Bron: Heruitgave als brochure omstreeks 1974 door Vereeken, met wellicht toegevoegde commentaar. Uitgegeven door de Revolutionair Marxistische Tendens, afd.: België; fotokopies: AMSAB
Deze versie: spelling
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, september 2008
Laatste bewerking: 14 september 2008
| Zie ook: Beknopte inleiding tot het trotskisme Sociaal-democratie en parlementarisme Massastaking, partij en vakbonden De revolutionaire massa-actie Algemene werkstaking en sociaaldemocratie |
Voorwoord
De losbarsting
De werk- en levensomstandigheden van de arbeiders in België:
“Paradijs van het kapitalisme”
Korte historiek van de julidagen en van de algemene staking der mijnwerkers
De plaatselijke conflicten in de Borinage
De strijd van de stakers tegen het Koninklijk Besluit
De opstand
De algemene staking in de Borinage
De eerste straatgevechten
Uitbreiding van de algemene staking in de Borinage — de dagen van oproer
De reactionairen en de reformisten gaan in het offensief
De geheime overeenkomst van de reformistische bureaucratie
De duistere komedie van de Gemengde Commissie van het Mijnwerkerscongres en het Parlement
De dolksteek van het NC, van de SC en van de algemene raad van de BWP - Het bevel tot werkhervatting [1]
De afzondering van de mijnwerkers
Deze brochure werd enkele weken na de gebeurtenissen die ze omvat geschreven. Spijtig genoeg aanschouwde deze brok geschiedenis van de Belgische arbeidersbeweging, en dan vooral van de 200.000 mijnwerkers, nooit het daglicht. Dit is te wijten aan de bloedarmoede van onze politieke beweging, geplaatst tegenover de verscheidene en beslissende gebeurtenissen die elkaar steeds in versneld tempo opvolgden en die ons rust noch duur gunden.
De wereld beleefde de grootste crisis uit zijn geschiedenis. De verwarring had een dergelijke omvang aangenomen, dat ze gerust kan vergeleken worden bij de buitengewone ontwikkeling van de productiekrachten na de eerste wereldoorlog. De bankroeten spaarden geen enkele klasse doch de werkloosheid werd uitsluitend gedragen door de arbeidersklasse en die van de geruïneerde kleinburgerij.
Het land telde honderd duizenden werklozen en de wereld telde er miljoenen, waarvan er slechts een gedeelte kon rekenen op een karige steun. Overal dreigde er opstand, doch de onderlinge verstandhouding van de bezittende klassen en hun ervaring in de kunst de massa’s te manipuleren, stelden hen in staat nu eens deze opstanden te bedwingen, dan weer een ijzeren regime in te stellen, waarvan het fascisme wel tot de meest uitgewerkte vorm kan werden gerekend. In 1932 schreden de revolutie en de contrarevolutie zij aan zij.
Zo stonden de zaken ervoor toen onze organisatie ontstond eind 1930 en zich trachtte te ontwikkelen. Vóór het uitbreken van de staking in de Borinage, de julidagen en de algemene mijnwerkersstaking in ons land, telde onze groep nauwelijks dertig leden waarvan de meerderheid in de streek van Charleroi woonde. Het waren allemaal arbeiders die gemiliteerd hadden in de Kommunistische Partij, vervolgens in de Linkse Kommunistische Oppositie en die zich om verscheidene politieke redenen hadden afgescheurd van de meerderheid. Al deze militanten hadden een syndicaal verleden en meerderen onder hen waren uit de reformistische syndicaten gesloten wegens hun communistische overtuiging of hun revolutionaire actie.
Kameraden uit Charleroi leidden bepaalde secties van de syndicaten die men “Les Chevaliers du Travail” noemde, organisaties die een opmerkelijke strijdlust aan de dag legden en die clandestien werden opgericht tegen het einde van de 19de eeuw door Belgische arbeiders die waren teruggekeerd uit Amerika.
Op 11 januari 1931 gaf onze kleine kern van militanten het eerste nummer uit van een maandelijks tijdschrift La voix communiste en koos als naam: “Groupe Belge d’Opposition Communiste de Gauche”. De groep werd erkend door de “Internationale Linkse Kommunistische Oppositie” opgericht door L. Trotski.
Het was het jaar van de val van de Spaanse monarchie, die in 1930 werd voorafgegaan door de interne ineenstorting van de militaire dictatuur van Generaal Primo de Riviera. In Spanje ontwikkelden de gebeurtenissen zich regelrecht naar de revolutie toe. In Duitsland evenwel sneden de contrarevolutionairen de revolutionaire krachten de pas af wegens de domme en onverantwoorde stalinistische politiek, gekend onder de naam van de theorie van het “sociaal fascisme”, die elke strijdeenheid van de socialistische en communistische Duitse arbeiders onmogelijk maakte. Vanaf het kleine Turkse eiland Prinkipo, gelegen in de Dardanellen waarheen Trotski verbannen werd in onderlinge verstandhouding tussen Stalin en het burgerlijke regime van Turkije, van daaruit bereikte ons de documenten die de evolutie van het wereldgebeuren analyseerden, vooral dan over de landen waar het er het heetst aan toeging: Spanje en Duitsland.
Wat ons betrof, in het kleine België, in de schaduw van de grote mogendheden en de belangrijke gebeurtenissen, wij moesten wel degelijk de problemen die ons gesteld werden onder ogen zien.
Aldus waren we min of meer ingewerkt in het samenstellen van ons halfmaandelijks blad waarvan er zes- zevenhonderd exemplaren verkocht werden, of er brak in de Borinage een staking uit die vanaf het begin de allures aannam van een ware opstand.
Zo ze uiteindelijk werd beperkt tot een algemene staking van de provincie Henegouwen en van alle steenkoolbekkens in het land, dan was dat te wijten aan de collaboratie van de politieke en syndicale leiding met het repressieapparaat van de burgerlijke Staat. Zonder hen, zou de burgerij niet bij machte geweest zijn deze staking — die schrikwekkende afmetingen begon aan te nemen — in te dijken en gedurende bepaalde tijd een status quo te handhaven, om nadien de mijnwerkers af te zonderen en ze na twee maanden van uitputtingspolitiek door de knieën te krijgen.
Breed, genomen deden de stalinistische KP en de twee groepen van linkse oppositie wat ze konden om de strijd van deze arbeiders uit te breiden en te ondersteunen maar — weinig talrijk en verzwakt door de verdeling als ze waren — konden ze geen gewicht in de weegschaal werpen. Nochtans liepen de reformisten en de repressiekrachten een nederlaag op daar waar er een kern bestond van actieve en vastberaden revolutionairen. Dit was grotendeels het geval in de gemeentes Gilly, waar de mijnwerkers verenigd bleven tot op de laatste dag. Deze massabeweging en onze activiteit stelden ons in staat het aantal van onze militanten te verdubbelen.
Het formaat van ons orgaan La voix communiste werd vergroot en het halfmaandelijks blad werd een weekblad.
Tijdens de eerste maand van de staking bereikte onze oplage de 5.000 exemplaren en, nadat de “orde” was hersteld, stabiliseerde ze zich tot om en bij de 2.000 exemplaren, waarvan er meer dan driekwart werden verkocht in Henegouwen, hoofdzakelijk dan in de streek van Charleroi. Wij hadden eveneens contacten gelegd in meerdere steden van het land. Wij zagen hierin de bevestiging dat wanneer de woede van de brede massa’s tot losbarsting komt, een voorhoede die nauw verbonden is met de arbeiders — zelfs een weinig talrijke voorhoede maar dan ingeplant in de voornaamste streken — kon groeien en zich zeer snel versterken om het voornaamste instrument te worden van de machtsovername.
Zo onze tendens — na tweeënveertig jaar later — tot het besluit is gekomen deze brochure te publiceren, dan is dat omdat we denken dat deze bladzijden geschiedenis momenteel nuttig kunnen zijn voor de voorhoede militanten, die versnipperd zijn in een veelheid van kleine groepjes, en die oog in oog zullen komen te staan met nog grotere problemen dan in 1932 het geval was.
De crisis die zich nu ontwikkelt in alle bedrijfstakken, met haar steeds groter wordend aantal conflicten en stakingen, zowel in dit land als in Europa en de kapitalistische wereld, is hiervan wel het bewijs.
Deze toestand die bijzonder ernstig is voor het kapitalisme, zal zeer gunstig zijn voor het oprichten van basiscomités die de arbeiders groeperen, zonder onderscheid van politieke, filosofische of godsdienstige overtuiging, en zal tevens de selectie toelaten van een politieke voorhoedeorganisatie.
Zo de revolutionaire groeperingen onder de gegeven omstandigheden verdeeld blijven, en dan nog vooral wegens de bestaande interne meningsverschillen van de landen die met het kapitalisme hebben afgerekend en tussen deze landen onderling, dan wel wegens de in ons land te volgen tactiek tegen het kapitalisme, als ze er niet in slagen zich te verenigen, dan zullen ze de hoofdverantwoordelijken zijn voor nieuwe nederlagen.
Zo ze er toch in gelukken om de strijd die in dit land moet gevoerd worden tegen het kapitalisme op de voorgrond van hun inspanningen te plaatsen, dan zouden ze niets anders doen dan hun plicht op nationaal vlak, maar ook en vooral op het vlak van de ontwikkeling van de wereldrevolutie en de verdediging van dat deel van de wereld waar het kapitalisme op de vuilnisbelt van de geschiedenis is terechtgekomen.
25 mei 1974
De Belgische arbeidersklasse heeft zopas historische momenten beleefd. Na gedurende een tiental jaren te zijn teruggeslagen door het drieledig verbond van patronaat, Staat en reformistische bureaucratie; na achterop te zijn geraakt en haar levenspeil en bestaansvoorwaarden met ongeveer 30 tot 40 % te hebben zien dalen, heeft de arbeidersklasse — meer en meer gedompeld in de ellende en de werkloosheid — zo pas gereageerd met totnogtoe nooit geziene kracht in de geschiedenis van de Belgische arbeidersbeweging. In een opwelling van woede, gevolg van de nieuwe aanvallen van het patronaat, gingen de mijnwerkers uit de Borinage — getrouw aan hun strijdtraditie — over tot de actie en betrokken ze alle mijnwerkers der overige steenkoolbekkens mee in de strijd, evenals een groot aantal proleten van andere corporaties.
Als een donderslag rolde de beweging begonnen in een paar mijnen van de Borinage — overheen het hele bekken, om zich dan als een lopend vuur te verspreiden over het centraal bekken, dat van Charleroi, van de Neder-Samber en van Luik. De staking breidde zich uit — typerend feit — tot het nieuwe Kempense bekken, dat voor de eerste maal deelnam aan een rechtstreekse aanval tegen de steenkoolbarons.
De oproep tot algemene staking ging doorheen het hele land en bracht de burgerij ten einde raad.
Gedurende enkele dagen weerklonk het gewoel van de arbeidersopstand in de straten. Politie en reformistische krachten waren niet bij machte gebleken deze uitbarsting te voorkomen. Met onvermoede kracht trokken arbeiders — mannen, vrouwen en kinderen — technici en kleinburgers met zich meetronend, als steeds groter wordende massa’s van mijn tot mijn, van fabriek tot fabriek, van werf tot werf, en legden al heel vlug het economisch leven lam van de meest geïndustrialiseerde provincie van het land.
Bepaalde mijndirecteurs, verwaande bruten die gehaat werden door de arbeiders, zagen zich opgesloten in hun woningen en waren wel verplicht zich gedurende enkele dagen te laten bevoorraden door de rijkswacht.
Het kasteel dat aan een hunner toebehoorde werd in brand gestoken. De koolputten werden totaal verlaten, wat kreten van angst en woede ontlokte aan de bezittende klasse. De arbeiders legden het werk stil en hadden bovendien het lef op de koop toe nog te weigeren de eigendommen van hun uitbuiters te onderhouden gedurende de staking!!! In meerdere gemeenten was het proletariaat heer en meester op straat: het stelde er gewoon zijn eigen wetten. Voor de eerste maal werd het verkeer geregeld door de arbeidersmassa. De arbeiders waren het die “vrijgeleiden” verstrekten. Het gezag van de minderheid had plaats moeten ruimen voor het gezag van de meerderheid. De bevreesde burgerij bracht praktisch de hele rijkswacht in ’t geweer en stuurde ze naar Henegouwen, waar de staking was uitgegroeid tot een ware opstand. De rijkswachters waren bewapend met de modernste moordtuigen: pantserauto’s met mitrailleurs bewapend, reflectoren, lichte tanks. Gedurende vier dagen werden gewapende troepen per trein aangevoerd. Zo officieel de staat van beleg niet werd afgekondigd, dan voerde de Staat toch een waar schrikbewind tegen de arbeiders, gekenmerkt door heftige repressiemaatregelen en willekeurige aanhoudingen. In de hoofdstad werden alle openbare gebouwen bewaakt, binnenin door de paar overgebleven rijkswachters, buiten door de politie. Bruggen, viaducten, telefooncentrales en elektrische centrales werden door militairen bewaakt. De centrale van Auvelais bij Namen werd versterkt met het doel gebeurlijke hevige aanvallen te kunnen doorstaan: loopgraven werden gegraven, prikkeldraadversperringen opgeworpen en meerdere mitrailleursecties in stelling gebracht. Legervliegtuigen voerden verkenningsvluchten uit boven de streek. De troepen kregen uitgaansverbod. Ganse regimenten werden naar het “binnenlands front” afgevoerd.
Duizenden arbeiderszonen moesten de rijkdommen van hun uitbuiters bewaken en beschermen. Zij werden op hun beurt omringd door rijkswachters, uit vrees dat ze zouden verbroederen met hun klassebroeders. De Algemene Veiligheid was dag en nacht op de been. Talloze huiszoekingen vonden plaats bij alle revolutionaire militanten. Er werden honderden voorlopige aanhoudingen verricht en bekrachtigd.
De rechterlijke macht van de burgerij, evenals haar politie en haar pers, bedachten in zeven haasten een complot tegen de Veiligheid van de Staat, in een poging deze aanhoudingen te verrechtvaardigen!!
Ondanks deze machtsontplooiing en in zekere mate zelfs dankzij deze uitdagende maatregelen en de heftige stormlopen van de rijkswacht tegen de stakers, waarbij twee doden en tientallen gewonden op straat werden achtergelaten, werd niet alleen de ganse arbeidersklasse door de strijdlust bevangen, doch zelfs die lagen van de kleinburgerij die het ergst door de crisis getroffen waren. Een echte geest van opstand bezielde de massa’s, die slechts op een teken wachtten om zich gezamenlijk in de strijd te werpen met de Henegouwse mijnwerkers en arbeiders. De algemene staking, alhoewel verwacht en gewenst door de overgrote meerderheid van de arbeidende massa’s, barstte echter niet los. Eens temeer slaagden de samengebundelde krachten van Staat, patronaat en christen- en sociaaldemocratie erin de woede en de strijdwil van de arbeiders in te dijken, de algemene staking te vermijden en de mijnwerkers af te zonderen, om tenslotte na twee maanden heldhaftige strijd van deze laatsten ze het werk te doen hervatten met de belofte hun lonen en hun ellende te stabiliseren.
Kleine toegeving van Staat en patronaat, maar desalniettemin een toegeving. Sedert 1886 had een dergelijke strijd zich niet meer voorgedaan.
Door België op deze manier te omschrijven kon Marx, de grondlegger van het wetenschappelijk socialisme, het geheel van economische, politieke en sociale elementen en factoren van dit landje — buffer tussen de grootste Europese machten — niet beter samenvatten. Zo deze vijf woorden die een geheel samenvatten, juist waren in de tijd toen ze werden neergeschreven, nu driekwart eeuw geleden, dan hebben ze nog steeds niets aan actualiteit ingeboet, en dit niettegenstaande de ingrijpende veranderingen van de laatste tientallen jaren.
Nochtans hadden de ontwikkeling van de machinale techniek en van de wetenschap, de vlugge centralisatie en concentratie der industriële ondernemingen en bankinstellingen, de voortdurend opgedreven productiecapaciteit en de inkrimping der afzetgebieden een dodelijke concurrentiestrijd op de markten tot gevolg en dwongen de bezittende klassen uit louter zelfbehoud een hardnekkige strijd te voeren tegen de reeds zo wankele werk- en levensomstandigheden van de arbeidende massa’s.
Volgens de statistieken van het Internationaal Arbeidsbureau is het “democratische” België, samen met Polen en het fascistische Italië, het land waar het bestaanspeil van de arbeiders het laagst is. De economische crisis die sedert 1929 in de ganse kapitalistische wereld woedt, en die in België slechts werkelijk wordt aangevoeld in het midden van 1930, is het signaal geweest om de aanvallen te verdubbelen tegen de lonen en de karige sociale voorzieningen die het gevolg waren van de revolutionaire strijd van de proletariërs in de andere landen en eerder nog van de zwakheid van de burgerij kort na de oorlog van 1918, dan wel van de parlementaire actie van het indrukwekkend verkiezingsapparaat van de Belgische Werklieden Partij, die zich rechts had opgesteld tijdens de 2e Internationale. Inderdaad, dit algemeen stemrecht waarvoor de Belgische arbeidersklasse vóór de oorlog tot tweemaal toe een algemene staking had uitgeroepen, bewegingen die toen mislukten door de lafheid van de Belgische Werklieden Partij en de Syndicale Commissie [2], dit algemeen stemrecht werd na de oorlog door de burgerij toegekend, vooral ook ten gevolge van de machtsovername van het Russisch proletariaat en de revolutionaire golf die over Europa spoelde.
Om hun macht en voorrechten veilig te stellen stonden de kapitalisten onder impuls van paniek en vrees de arbeiders eveneens de achturendag en verscheidene sociale wetten toe, ingewilligde eisen die door de reformistische leiders werden toegeschreven aan hun parlementaire actie. Maar zodra de burgerlijke macht weer stevig in ’t zadel zit, keert de inhalige burgerij zich tegen de arbeidersklasse in een poging terug te nemen wat ze voordien verplicht werd toe te staan.
Het herstel van de door vier oorlogsjaren ten gronde gerichte economie, eiste nog meer opofferingen van de werkende massa’s die de tijdens dit bloedbad geleden ontberingen opnieuw aan den lijve konden voelen.
Steeds in naam van het algemeen “vaderlands” belang en dat van de “democratie”, wat in feite neerkomt op het belang van de bezittende klassen, werden nieuwe opofferingen geëist, die door het patronaat en de reformistische leiders werden opgedrongen aan de arbeiders. Om het hoofd te bieden aan de concurrentie en de verminderde dagelijkse arbeidsduur, hield het patronaat niet op het arbeidsritme omhoog te jagen. De lichamelijke inspanning en de aandacht die van de arbeiders vereist werd gingen dezelfde richting uit: omhoog. “Produceren” was de leuze, produceren maar, steeds vlugger produceren.
De rationalisatie stapte van het empiristische stadium over naar het wetenschappelijke. Het werd een echte wedloop om uit de arbeiders zoveel mogelijk arbeid te halen, teneinde door toepassing van nieuwe middelen en technieken een zo groot mogelijke productie te bekomen. Het perfectioneren van de machinale productie bereikt een onvermoede hoogte. Daar waar voorheen 10 arbeiders onmisbaar waren, werden die nu vervangen door een machine bediend door één enkele arbeider, dikwijls dan nog een adolescent. In het ganse proces van beperking op arbeidskrachten, namen vrouwen en kinderen meer en meer de plaats in van mannen, wat een rol speelde in de verlaging van de lonen.
Het levenspeil, de arbeidsvoorwaarden, evenals de ontoereikende sociale wetten die werden toegestaan uit vrees voor een uitbreiding van de revolutie, waren voortdurend het doelwit van de patronale aanvallen, die nu eens geniepig, dan weer openlijk brutaal werden gedaan.
Reeds in 1926 lukte de meest schijnheilige aanval op de lonen en dit boven alle verwachtingen gekoesterd door de hoge burgerij. In de knel gebracht door de monetaire crisis die het rechtstreeks gevolg was van de oorlogsschulden, zag het kapitalisme een uitweg in de drastische inkrimping van de inkomsten der werkende massa’s: arbeiders, kleine eigenaars en handelaars.
Om deze operatie te doen slagen droegen alle parlementairen, de sociaaldemocraten inbegrepen, zonder aarzeling hun macht over aan de financiële dictator Franqui. Met de goedkeuring van Vandervelde, Wauters en konsoorten, had hij de hand in de grootste oplichterij in de Belgische geschiedenis. Op dat ogenblik had de Belgische frank ten opzichte van de wereldmarktprijs een werkelijke waarde van 21 goudcentiem, d.w.z. één vijfde van de frankwaarde in 1914. In plaats van deze koers van 21 goudcentiem te handhaven, bracht de bankiersregering ze ver beneden deze waarde, nl. 14 goudcentiem. Deze ontzettende vermindering van de koopkracht van de frank, m.a.w. deze aanzienlijke daling van de werkelijke lonen, werd niet onmiddellijk als dusdanig aangevoeld. De nominale prijzen der verbruiksgoederen stegen slechts geleidelijk. Ogenschijnlijk waren het de prijzen van de producten die stegen; in werkelijkheid had het papiergeld echter zijn koopkracht verloren en waren het de werkelijke lonen die daalden. Kleine renteniertjes die de Staat hun spaargeld in goudfrank hadden toevertrouwd, ontvingen in plaats daarvan een papierfrank die nog maar 14 goudcentiem waard was. De burgerlijke Staat had zich 86 % van hun spaartegoed toegeëigend.
Zo de syndicale organisaties hun aangesloten leden zouden ingelicht hebben omtrent de ware toedracht van deze operatie, die hen werd opgelegd door het grootkapitaal, dan valt het nauwelijks te betwijfelen of de arbeiders zouden zich onmiddellijk in de strijd hebben geworpen om lonen te eisen in verhouding tot de goudwaarde van de goederen. Dit is lang niet alles. Tegelijkertijd nam de belastingdruk zwaar toe. Aangezien de ontwaarding van de frank de arbeidsomstandigheden van de massa’s aanzienlijk had verminderd, konden de Belgische kapitalisten tot aan de vooravond van de crisis hun buitenlandse concurrenten met succes en op een winstgevende manier bestrijden.
Deze oplichterij op grote schaal kon slechts lukken, we herhalen het, met de medewerking van de leiders der arbeidersverenigingen die deze politiek van de bankiers verdedigden onder voorwendsel “de frank van de armen en van de coöperatieven te redden”, en dankzij hun medewerking met de liberale en klerikale reactionairen deden ze de massa’s de “grote penitentie” aanvaarden die verorderd was door de gangsters van het grote bankwezen en de grootindustrie.
Alhoewel de schijn het tegendeel zou doen vermoeden, kan niet weerlegd worden dat op de drempel van de economische crisis de levens-, en arbeidsvoorwaarden van de Belgische arbeidersklasse nog slechter waren dan die van vóór de oorlog.
Alle toenmalige enquêtes door de syndicale organisaties over de lonen gehouden, bevestigen dit. Het opgedreven arbeidsritme en de “wetenschappelijke” technieken hadden de voordelen van de invoering van de achturendag ongedaan gemaakt. Om deze stand van zaken te illustreren brengen we ter herinnering dat de syndicale organisaties in die tijd het ordewoord “herwaardering van de lonen op basis van 1913” verspreidden.
Zo de lage lonen destijds ongemak veroorzaakten in de arbeidersgezinnen, dan betekende dat nog geen ellende. In de loop van de economische crisis werd deze grens echter overschreden.
Gevangen in de klauwen van de paritaire commissies die in ’t leven waren geroepen om de verhoudingen tussen arbeid en kapitaal te regelen (organismen die de hevige klassenbotsingen moesten opvangen en voorkomen), kon de massa zich ternauwernood aan deze parlementaire greep onttrekken om van de gewettigde ontevredenheid tot de actie over te gaan.
Gedurende drie jaren ondergingen lonen en arbeidsomstandigheden zware aanvallen. De uitbuiters, gestuwd door hun Centraal Industrieel Comité — hun leidinggevend aanvals-, en verdedigingsorgaan — begonnen zich nu te bemoeien met de corporaties; de ene na de andere moest eraan geloven. Slechts nadat een beperking werd opgelegd aan één categorie arbeiders, vielen ze er een ander aan. Dit spel werd tientallen malen herhaald. De kapitalisten wisten dat een algemene aanval gericht tegen de ganse arbeidersklasse onvermijdelijk moest leiden tot een veralgemeend verzet.
De werkloosheid die de kop had opgestoken midden 1930 nam alras grote afmetingen aan. Maandenlang groeide de ellende, evenwijdig aan de loondalingen en de stijging van het aantal werklozen. Rond juli 1932 telde men om en nabij de 300.000 volledig en gedeeltelijk werklozen die lid waren van het crisisfonds. Het aantal niet verzekerde werklozen werd geraamd op, ongeveer 200.000. Verondersteld dat elke werkloze slechts één persoon ten laste had, dan betekent dit meer dan één miljoen mensen die in de zwartste ellende werden gedompeld. Onnodig hieraan toe te voegen dat het patronaat zoals steeds profiteerde van dit formidabel reserveleger arbeidskracht om een wrede druk uit te oefenen, op de arbeidende massa’s.
Geplaatst vóór de catastrofale toestand die het proletariaat te verduren had, veranderde de tactiek van de Syndicale Commissie en van de Belgische Werklieden Partij slechts van vorm. In de grond veranderde hij echter niet.
In naam van het “algemeen welzijn” werden de arbeiders door de reformisten genood zich te laten afslachten tijdens de imperialistische oorlog van 1914-1918.
-In naam van het “algemeen welzijn” werden ze genood te ijveren aan de wederopbouw van het land en werden ze verplicht “hun aandeel bij te dragen in de wederopbouw” (belastingen op het loon, beroepstaks, enz.)
-In naam van het “algemeen welzijn” werden ze genood de riem wat nauwer aan te halen op het ogenblik van de ontwaarding van de frank en na de monetaire stabilisatie.
-En nogmaals in naam van het “algemeen welzijn” zullen Mr. Vandervelde en zijn vrienden nieuwe opofferingen van de arbeiders eisen, zogezegd om de heersende crisis te boven te komen en om de put in de regeringskassa’s te dempen.
De reformistische leiders draaien er overigens hun hand niet voor om, hun cynisme openlijk toe te geven. Hier volgt een recent staaltje: een letterlijk overgenomen citaat uit het Bulletin van de Syndicale Commissie, dat botweg de gedachtegang van de grote reformistische leiders weergeeft;
“En wanneer onze syndicaten in opstand komen tegen de ongepaste loonsverminderingen, dan is hun actie ongerechtvaardigd, niet alleen voor wat betreft de belangen van de arbeiders, maar tevens voor het herstel van de economische bloei.”
Deze zin werpt een duidelijk licht op heel de politiek die gevolgd werd door de leiders van de BWP en de SK. In alle objectiviteit kunnen we echter zeggen dat de gewone basismilitanten zich dikwijls en onder verschillende omstandigheden zich met klem hebben verzet teen deze politiek. Deze tegenkanting kwam dan vooral tot uiting in de rangen van de jeugd.
De centralisatie van de syndicale beweging, zeer sterk doorgevoerd in België en die bepaald werd door de centralisatie van de industrie, werd nooit ten dienste gesteld van het proletariaat, om te pogen de kapitalisten te verhinderen hun moeilijkheden op te lossen op de rug van de massa’s, maar wel integendeel om alle daadwerkelijke verzet van de arbeiders de kop in te drukken.
Telkens wanneer het patronaat van een corporatie overging tot een loonsvermindering, al dan niet overeengekomen, zorgde het ervoor een zeer hoge “aanslagvoet” te eisen. De reformistische bureaucratie “trok dan ten strijde” in de gemengde of paritaire commissie van deze corporatie onder luid geweeklaag gezien de enorme eisen van het patronaat, terwijl ze aan de andere kant verkondigde dat het ogenblik niet geschikt was om een verzetsactie te wagen. Na het gebruikelijke gepalaver en afdingen, onderging de door de patroons vooropgezette aanslagvoet een kleine vermindering. En dit werd dan telkenmale voorgeschoteld als een “overwinning”. Van de ene “zegepraal” na de andere bereikten de lonen uiteindelijk het hongerpeil. Deze toestand veroorzaakte grote ontevredenheid en ontmoediging in de arbeidersrangen.
Onderstaande loonlabel van de mijnwerkers uit de Borinage, gepubliceerd door Le Peuple in de loop van de vierde stakingsweek, toont duidelijk waar de politiek, noodzakelijk geacht voor het “herstel van de economische bloei”, toe leidde. Het gaat hier om cijfers bekomen via een officiële enquête: de daggemiddelden van november 1930 — dus vóór de crisis — van februari 1932 en van juni 1932.
| Ondergrondse arbeiders | |||
| Categorie | nov. 1930 | feb. 1932 | juni 1932 |
| Houwers | 58,49 | 47,27 | 42,67 |
| Gelijkgestelden | 60,41 | 48,58 | 43,76 |
| Arbeiders voor het vervoer | 43,29 | 34,21 | 30,48 |
| Ander personeel | 46,39 | 38,59 | 34,84 |
| Gemiddelde der ondergrondse arbeiders | 52,36 | 42,42 | 38,30 |
| Bovengrondse arbeiders | |||
| Geschoolde arbeiders | 45,74 | 38,82 | 35,04 |
| Ongeschoold mannelijk personeel | 37,30 | 31,03 | 28,01 |
| Vrouwen en meisjes | 19,25 | 16,59 | 15,00 |
| Gemiddelde der bovengrondse arbeiders | 38,37 | 32,50 | 29,32 |
| Onder- en bovengronders samen | |||
| 48,33 | 39,60 | 35,74 | |
Als men hier nog aan toevoegt dat de mijnwerkers voor de staking één of twee dagen per week stempelden, dat de helft niet verzekerd was bij het crisisfonds, dan kan men zich indenken welke ellende er toen heerste onder deze mensen.
Het spreekt vanzelf dat dergelijke toestand niet kon blijven duren. Laten we nu even de oorzaken samenvatten die onmiddellijk aan de basis lagen van de julibeweging.
1° Het steenkoolpatronaat, dat gedurende de vette jaren ontzaglijke winsten had geboekt, maakte aanstalten om opnieuw te gaan knagen aan de lonen van de mijnwerkers;
2° De klerikaal-liberale regering, die met een deficit te kampen had dat toentertijd werd geschat op 3 miljard frank of ongeveer 2O % van het nationaal budget, maakte zich klaar om 50 miljoen te besparen op de werkloosheidstoelagen, de lonen en pensioenen in te krimpen, en de verbruiksgoederen met zware taksen te belasten.
3° Om de Staatskas te spekken, en om de grote graanproducenten te bevoordelen, maakt de Minister van Landbouw — op bevel van de “Boerenbond” — zich klaar om een wetsontwerp in te dienen waarbij een recht van 15 fr. wordt geheven per 100 kg bloem, wat een prijsstijging van 15 centiem per kg brood zou betekenen. Het invoerverbod op bepaalde voedingsmiddelen boven de door de regering vastgestelde hoeveelheden (boter, e.d.) ontketende in enkele dagen tijd een grote prijsstijging van deze eetwaren;
4° Onder voorwendsel bedrog tegen te gaan en honderdduizenden dossiers van ouderdomsgepensioneerden te willen herzien, werd de uitbetaling stopgezet van de maandenlang verwachte pensioenen der oude arbeiders.
Zo deze twee laatste factoren al niet de rechtstreekse oorzaak waren van het uitbreken van de julibeweging, dan droegen ze er toch veel toe bij om de ontevredenheid van de [arbeiders te vergroten.] Aldus stonden, in enkele woorden gezegd, de zaken van de arbeiders ervoor, met nog kans op verwikkelingen, op het ogenblik dat de mijnwerkers uit de Borinage in staking gingen.
Vooraleer over te gaan tot de eigenlijke gebeurtenissen, is het nodig een blik te werpen op de kenmerken van de verscheidene steenkoolbekkens aangezien deze zeer sterk inspeelden op het verder verloop van deze grote strijd.
De Borinage heeft wel één bijzonder kenmerk en wel dat het uitsluitend een steenkoolbekken is. Buiten allerlei kleine industrieën drukt de steenkoolnijverheid verder haar stempel op het economisch leven. De arbeidersbevolking bestaat bijna uitsluitend uit mijnwerkers. De meesten van hen zijn lid van de reformistische Centrale. De mijnwerkers uit de Borinage voelen zich zeer nauw verbonden met hun organisaties. Deze opeengepakte agglomeratie van de mijnarbeidersklasse heeft in de Borinage een gans bijzondere mentaliteit geschapen; in een mijnstaking staakt bijna gans de bevolking en neemt ze ook deel aan de strijd. Alle stakingen uit het verleden getuigen van een uitzonderlijke eensgezindheid. Alhoewel verbonden met reformistische organisaties (en dan nog de ergste) is het wel de streek waar de klassenstrijd op de meest levendige manier wordt gevoerd.
Het is niet de eerste maal in de geschiedenis van de arbeidersbeweging dat er in dit bekken barricaden worden opgeworpen. Zeggen we om te eindigen dat het het bekken is waar de uitbuiting het eerst begon, dat het het lastigste is wegens de geaardheid van de steenkoollagen en de geringe opbrengst van de aders, en dat de lonen er lager liggen.
Het nieuw Kempens bekken in de provincie Limburg verschilt van dat van de Borinage door gans andere kenmerken. Pas in bedrijf gesteld na de oorlog is het een der meest moderne steenkoolbekken van Europa. Niet te onderschatten voordeel: het kapitalisme heeft een reusachtig bedrijf in ’t leven kunnen roepen en ontwikkelen op een nog onbebouwd terrein. Alle door het kapitalistisch systeem bepaalde ervaringen van mechanisering, techniek, wetenschap en tevens van de klassenstrijd hebben de mijnbarons in staat gesteld om in enkele jaren tijds een enorm en winstgevend industrieel gebied te ontsluiten. Alles is er groots, alles is er modern. In de “kleinste” mijn worden bijna 4.000 arbeiders tewerkgesteld. Meer dan 30.000 arbeiders werken aan de mijnen en de plaatsingskantoren blijven om geschoolde arbeiders schreeuwen.
Net zoals bij Bata, de overleden schoenkoning, en bij Philips, de koning van de gloeilamp, is al wat er te vinden is op die honderden hectaren waar vroeger slechts heide en dennenbossen waren: moderne fabrieken, woningen, scholen, kerken, cabarets en politiecommissariaten, alles is eigendom van de nieuwe Kempense mijnbarons.
Het grootste deel van de arbeidskrachten bestaat uit vreemde werknemers. Wie zijn werk verliest wordt uit zijn logement, uit het dorp en over de grens gezet, zo hij vreemdeling is. Vanaf de inbedrijfstelling worden hongerlonen uitbetaald, behalve dan aan de geschoolde arbeiders. Er heerst geen discipline meer in dit bekken maar een waar schrikbewind.
De arbeidersorganisaties zijn er uiterst zwak, zoniet onbestaand. De organisaties en de reformistische propagandisten worden er opgejaagd als revolutionaire propagandisten. Openlijke propaganda is mogelijk als zij van buitenaf komt. Er kan slechts individuele propaganda, en dan nog half verstolen, binnenin de mijnen gevoerd worden. In de drie overige bekkens: dat van Charleroi, het Centrum en Luik, beperkt het economisch leven zich niet uitsluitend tot het ontginnen van steenkool. De metaalnijverheid en de mechanische industrie zijn er sterk ontwikkeld evenals de andere nijverheidstakken.
Naast deze vijf bekkens zijn er nog enkele mijnen in de halflandelijke gemeenten van de Neder-Samber, tussen Charleroi en Namen. De bekkens van de Borinage, het Centrum, Charleroi en de Neder-Samber liggen naast elkaar. Het Luikse bekken ligt op zowat 60 km van de Henegouwse en op een dertigtal km van het Kempense.
Op het ogenblik van de laatste aanval van het patronaat, in de maanden mei en juni 1932, hadden de mijnwerkers sedert de crisis begon hun lonen officieel met 24 % zien dalen, en hadden ze 9 % loonverlies geleden (het zogenaamde “glijden” van het loon) evenals andere gedeeltelijke verminderingen.
Naargelang de categorieën, werd er een nieuwe loonsvermindering van 2 tot 10 % afgekondigd door het patronaat in de Borinage. Zoals altijd al was gebeurd, hadden de patroons besloten deze mensen te dwingen zich hierbij neer te leggen, om daarna de mijnwerkers uit andere bekkens van hetzelfde laken een broek te geven. Alhoewel deze nieuwe aanval werd ingeluid op 17 mei, zweeg de plaatselijke reformistische pers — behoudens dan twee kleine artikeltjes in Le Peuple — zich dood tot de 23ste. Hun tactiek getrouw, hielden de reformisten deze nieuwe aanval liefst zo lang mogelijk stil.
Tijdens de staking zullen we trouwens zien hoe ze zich inspannen een muur van stilte op te richten tussen de stakers uit de verschillende bekkens, waarbij ze gewoon — en met succes — hetzelfde doen als Staat en patronaat.
Onder druk van de mijnwerkers uit de Borinage was de Regionale Centrale wel verplicht een vergadering te beleggen op 29 mei om zich uit te spreken over deze nieuwe loonsvermindering. Dit congres evenals het manifest dat werd opgesteld door de Centrale, toonden reeds de laffe houding van de reformistische leiders aan. Ze betwistten de patroons slechts het recht op loonsvermindering door de cijfers van de februari enquête in twijfel te trekken die, zo zegden ze, niet geldig waren voor mei. Niet de hongerlonen werden als basis genomen, maar wel de twijfelachtige cijfers van een enquête. Niet de honger die zich deed gevoelen in de mijnwerkersgezinnen zette hen aan deze nieuwe loonsvermindering te bestrijden, doch het waren de modaliteiten van de februari enquête waarover moest gepraat worden!!!
De mijnwerkers uit de Borinage waren het hiermee niet eens. Hun vrouwen nog veel minder.
Zij waren eensgezind zich te verzetten tegen hun uithongering door in staking te gaan. In bepaalde mijnen besloten de mijnwerkers het werk stil te leggen, zonder de beslissing van de syndicale secties of van de Regionale Centrale af te wachten. De storm naderde. De burgerij besefte dit ten volle toen ze op dat moment schreef:
“dat de staking onvermijdelijk zou zijn zo men niet tot een vergelijk kon komen” en dat “het conflict moest vermeden worden want, gezien de geestesgesteldheid van de arbeiders en de toenemende woede, zouden er ernstige gebeurtenissen uit kunnen voortvloeien”.
Het manoeuvre van de reformistische leiders na het congres van 29 mei was hiermee nog niet afgesloten. Zich terdege bewust van de strijdwil van de mijnwerkers uit de Borinage, beriepen de reformistische leiders en de patroons zich op een zogezegde daling van het indexcijfer om een algemene loonsvermindering van 5 % voor alle mijnwerkers van het land te rechtvaardigen.
Het is duidelijk dat zo de patroons deze daling hadden kunnen verantwoorden volgens de overeenkomst (die ze onophoudelijk aan hun zolen lapten), ze dan wel een vergadering van de gemengde commissie hadden geëist op 15 mei, datum waarop het indexcijfer werd gepubliceerd. Dat hebben ze echter niet gedaan.
Door dit manoeuvre hebben de steenkoolpatroons en de reformisten de mijnwerkers van de Borinage een schijnvoldoening willen geven om de steeds groter wordende onrust in de Borinage tot bedaren te brengen. Het had echter een tegenovergesteld effect. De onrust sloeg over op de andere bekkens en alle ogen richtten zich op de streek. Aangezien de agitatie meer en meer aan hevigheid toenam, waren de syndicale leiders nu wel verplicht een referendum te houden over de algemene staking. Dit deden ze met de bedoeling de beweging af te remmen, waarbij ze speculeerden op de ontmoediging. Het bewijs werd geleverd. De Regionale Centrale durfde nooit de uitslag van dit referendum publiceren uit vrees de beweging te versnellen. De gedeeltelijke stakingen die uitgebroken waren vóór en na het referendum, verspreidden zich meer en meer. Delattre, de nationale secretaris van de mijnwerkers, spande zich in om te doen uitschijnen dat de rechtstreekse oorzaken van deze gedeeltelijke stakingen berustten op wat geplaag en gewrijf, waardoor hij de werkelijke oorzaak, nl. de nieuwe loonsvermindering, als bijkomstig wou doen doorgaan. Wat echter nog meer aantoont dat de reformistische leiders vastbesloten waren de nieuwe loonsvermindering door te drukken, was wel hun beslissing bepaalde conflicten te steunen die schijnbaar waren ontstaan rond wat geplaag en gewrijf, en niet deze die rechtstreeks voortsproten uit de loonkwestie. Le Peuple schrijft op 22 juni het volgende:
“Zoals men weet, zijn er drie duidelijk verschillende bewegingen. Ten noorden van Rieu de Coeur staken de arbeiders als protest tegen de gevaarlijke arbeidsomstandigheden. Bij de Charbonnages Belges is staking uitgebroken omdat de patroons weigeren een conflict voor te leggen aan de Regionale Paritaire Commissie. Tenslotte is er een spontane beweging tegen de conventionele loonsvermindering. Gisteren heeft de Centrale van de Mijnwerkers van de Borinage een oproep gedaan aan de arbeiders, waarin de eerste twee bewegingen goedgekeurd worden en de arbeiders gevraagd wordt zich niet te laten meeslepen door onverantwoordelijke agitatoren die misschien wel betaald worden door de patroons, in een beweging gericht tegen de collectieve overeenkomsten, die tenslotte toch de beste waarborg bieden voor de bescherming van de rechten van de arbeiders.
Tijdens zijn onderhoud met Mr. Heyman, heeft Mr. Delattre sterk aangedrongen opdat “de arbeiders van Rieu de Coeur en de Charbonnages Belges voldoening zou worden “geschonken”.
Dit bericht zegt op ondubbelzinnige wijze dat er geen stakersgeld zal worden uitgekeerd aan de mijnwerkers die het brood van hun gezinnen verdedigen. Het geeft eveneens de haat weer tegenover de communisten die de stakers aanzetten zich niet langer te laten uithongeren. De Communistische Partij bleef onverdroten een zware inspanning leveren om de gedeeltelijke conflicten te veralgemenen. De militanten die ze naar het bekken stuurden werden het mikpunt van de ergste uitdagingen van de reformistische leiders die zich openlijk verheugden over de aanhouding van de nationale secretaris van de Revolutionaire Syndicale Oppositie op het ogenblik dat hij een meeting moest houden, terwijl hij nog een gevangenisstraf van een week diende uit te zitten.
Op welke manier Le Peuple verslag bracht van deze aanhouding kunt u nu lezen:
“Nochtans was de plaatselijke politie zo nieuwsgierig geweest de opsporingsfiches in te kijken. Dit onderzoek bracht aan het licht dat Van den Boom een straf van één week moest uitzitten, zodat de agent van Moskou tussen twee rijkswachters in “naar Bergen werd opgebracht.”
In eenvoudige berichtjes zullen we Le Peuple later tientallen en nog eens tientallen aanhoudingen van communisten en stakers zien aankondigen. De reformistische leiders legden een overstelpende bedrijvigheid aan de dag om het uitbreken van de staking te verhinderen.
Gedurende de ganse maand juni hielden ze niet op te manoeuvreren met het ministerie van Arbeid. Meerdere vergaderingen werden gehouden tussen de afgevaardigden van patroons en arbeiders op het kabinet van Minister Heyman. Op de vooravond van de staking bekwamen de reformistische leiders de verdaging van elke nieuwe loonsvermindering tot op 1 aug., alhoewel ondertussen de vermindering van 5 % al werd toegepast vanaf 19 juni.
Dit manoeuvre was bijna geslaagd. Het grootste gedeelte der 10.000 stakers bood zich aan bij de mijnen. Maar geplaatst tegenover het feit dat de patroons van de Charbonnages Belges 400 slachtoffers wilden maken, wou niemand naar binnen, en viel het listig manoeuvre om de lonen te handhaven tot op 1 augustus jammerlijk aan diggelen. Terwijl de gebeurtenissen zich afwikkelden, drukte Delattre het als volgt uit toen hij in zijn interpellatie in de kamer uitweidde over de oorzaak van de heropflakkering van de staking:
“De directeur van de Charbonnages Belges is één der hoofdverantwoordelijken voor wat er nu gebeurt. Hij heeft volhard in zijn houding tegenover de gouverneur, die ongelijk had het Verzoeningscomité niet ambtshalve bijeengeroepen te hebben. Het is ontoelaatbaar dat één enkele man, de directeur van de Charbonnages Belges, de macht zou hebben de onrust uit te lokken die nu over het land waait. Maar blikken we nu even terug. We waren erin geslaagd de tienduizend arbeiders te doen inzien dat ze het werk moesten hervatten. Ze boden zich aan. De patroon zond ze eerst heen voor twee dagen. Daarna kondigde hij aan dat hij nieuwe methoden had ingevoerd, wat 484 mannen op straat bracht. (Protestations, colloques)”
Om de gebeurtenissen die gaan volgen goed te begrijpen is het nodig even te herinneren aan de opwinding die ontstond rond het Koninklijk Besluit dat van toepassing werd begin juli, en dat een forse vermindering der werkloosheidsuitkeringen ten gevolge zou hebben.
Ten gevolge van de catastrofale vermindering van de geïnde belastingen en de klassenpolitiek van de reactionaire regering, was de staatskas leeg geraakt. De klerikaal-liberale regering die bij het begin van de crisis de superbelasting had afgeschaft en op die manier jaarlijks 300 miljoen frank had cadeau gedaan aan de 2.000 grootste eigenaars, de regering die zopas 600 miljoen frank had gegeven aan de zogeheten “nationale” Bank voor het verlies dat deze had geleden ten gevolge van de devaluatie van het Pond Sterling, deze regering zag zich genoodzaakt, om het hoofd te kunnen bieden aan haar onmiddellijke behoeften en om haar budget te stabiliseren, haar uitgaven te verminderen, de belastingen te verhogen en nieuwe leningen uit te schrijven.
Uitsluitend bezield door een klassegeest, en op order van de machten van het bankwezen en de industrie, stortte de regering zich onmiddellijk op de reeds ontoereikende werkloosheidstoelagen en op de ouderdomspensioenen en bereidde zich voor om een nieuwe belasting van 150 miljoen frank te heffen op het ingevoerd graan wat een verhoging van de prijs van het brood met zich mee zou brengen. Gedurende de verscheidene weken die het op punt stellen van het nieuwe KB voorafgingen, zweeg de reformistische pers zich dood over de bedoelingen van de regering. Ondertussen hadden verschillende categorieën stakers hun stakersgeld zien verminderen, terwijl ondermeer de gehuwde vrouwen uit het crisisfonds werden gesloten.
Terwijl voorlopig het door de Staat toegekende gedeelte behouden bleef, verbood het KB de gemeenten een bepaalde toelagevoet te overschrijden, naargelang de categorie waartoe ze behoorden. Deze maatregel moest toelaten 50 miljoen te besparen op de rug van de stakers. Door het gemis aan echte syndicale organisaties, sloten de stakerscomités zich aan bij de revolutionaire militanten van alle strekkingen.
Dezen hielden niet op de stakers te alarmeren. De onrust sloeg over op de massa en de syndicale vergaderingen. Heen en weer geslingerd tussen hun omzichtige politiek tegenover de uitbuiters, terwijl ze in schijn de belangen van de arbeiders verdedigden, werden de leiders van de Belgische Werklieden Partij en van de Syndicale Commissie door deze onrust verplicht de protestbeweging van de stakers in handen te nemen om niet overvleugeld te worden. Ordewoorden zoals “Mars op Brussel”, “Nationale Betoging” en “Algemene Staking”, die door de Kommunistische Partij, de Linkse Kommunistische Oppositie, bepaalde syndicale afdelingen en de stakerscomités werden gegeven, vonden overal een diepe weerklank bij de massa. Hierdoor werden de Belgische Werklieden Partij en de Syndicale Commissie verplicht een veiligheidsklep te openen door op 4 juli een “nationale betoging” te organiseren, waarbij er natuurlijk werd voor gezorgd om tegelijkertijd regionale betogingen te houden in alle steden van het land, met als doel de betoging in Brussel zoveel mogelijk af te zwakken.
Door al deze massabetogingen drukte het ganse proletariaat de vurige wens uit zich door de rechtstreekse actie te verzetten tegen de aanvallen op lonen, de stakingsvergoedingen en de ouderdomspensioenen. Le Peuple kon in grote koppen aankondigen dat “de stem van 30.000 stakers had weerklonken in ons land”.
De betoging die in de streek van de Borinage, te Bergen, werd gehouden, was bijzonder talrijk: 95.000 mannen en vrouwen doorliepen urenlang de straten van Bergen. Ontroerend kenmerk van deze betoging was wel de grote opkomst van vrouwen en kinderen. Hun plakkaten waren een naïeve weergave van de lijdensweg die ze de laatste tijd hadden afgelegd en ze drukten ook de wil uit ermee gedaan te maken.
“Wij willen het einde van de crisis”
“Wij willen dat onze kinderen leven”
“Wat de vrouw wil, wil god”
“Wij eisen werk of brood”
“Wij willen onze waardigheid behouden”
“Kapitalisten; Onze kinderen hebben net zo goed als die van jullie recht op geluk. Jullie storten ze alleen maar in de diepste ellende.”
Een afdeling mijnwerkers uit de Borinage, allen in werkkledij, had zich te voet naar Brussel begeven om deel te nemen aan de betoging. De harde en vastberaden trek op deze door het werk in de mijnen getekende gelaten, liet overal waar ze langstrokken een diepe indruk na. Meer en meer weerklonken de ordewoorden: “Mars op Brussel” en “Algemene Staking”.
De leiders van de arbeidersbeweging hadden nog meer schrik dan de kapitalisten. Deze betogingen die werden georganiseerd om de gemoederen wat te bedaren waren eigenlijk olie op het smeulende vuur.
Bij het zien van de kennelijke miserie van het proletariaat was de kleinburgerij, die zelf met onoverkomelijke moeilijkheden te kampen had, diep onder de indruk gekomen.
Op alle meetings die na afloop van deze betogingen gehouden werden, hoedden de reformistische militanten, die de laatste tijd heel wat linkse taal hadden verkocht, er zich wel voor iets in te brengen dat de onrust kon doen groeien. Zo de massa’s enerzijds opgetogen waren over het aantal en de beroering van de betogers, dan werden ze anderzijds diep ontgoocheld door het uitblijven van duidelijke richtlijnen en ordewoorden.
Een dergelijke toestand kon niet anders leiden dan tot een uitbarsting. Patronaat noch Staat wilden ook maar een duimbreed afwijken van hun politiek om de levens- en arbeidsomstandigheden van de arbeiders nogmaals te verslechten [Wellicht een schrijffout — MIA]. Hun leed en ellende beu, brandden de arbeiders — en dan vooral dezen in de Borinage — van verlangen om zich te meten met de tegenstander en de knoop met geweld door te hakken. De reformistische organisaties vreesden de botsing en deden al het mogelijke om het te laten aanslepen, uit te stellen, te kalmeren en te verraden in de hoop het “nieuwe, gezegende tijdperk van bloei” te laten aanbreken zonder al te veel kosten voor hun winkel.
De KP, misleid en verzwakt door de valse politiek van de Kommunistische Internationale, afgesloten van de massa’s wegens de misdadige verdelingspolitiek van de Revolutionaire Syndicale Oppositie(OSR — Opposition Syndicale Révolutionaire) en ontredderd door veelvuldige aanhoudingen, was ondanks de moed en toewijding van haar leden niet in staat de strijd te leiden. De Opposition Communiste de Gauche (Komm. Linkse Oppositie) — zeer zwak in aantal — kon slechts doeltreffend optreden in de streek van Charleroi.
De waarheid dwingt ons te verduidelijken dat geen enkele politieke groepering zich verwachtte aan een zo geweldige woede-uitbarsting van de Henegouwse massa’s. De stalinistische bureaucratie heeft gepoogd te doen geloven dat zij de julibeweging had voorzien; er zijn altijd profeten te vinden naderhand. We zouden heel gemakkelijk het tegendeel kunnen bewijzen aan de hand van haar eigen geschriften. In werkelijkheid was de KP evenzeer verrast als de Oppositie, de reformisten en de kapitalisten.
De achterstand van al deze sociale machten en vijandige groepen, of ze nu inwerken op de wil van de massa’s dan wel deze belemmert en verplettert, bewijst duidelijk dat ze allen verrast waren.
De bureaucraten van de KP die beweerden de gebeurtenissen te hebben voorzien en ze in de hand te hebben gewerkt, publiceerden in De Rode Vaan, ondertekend door de nationale secretaris De Boeck en juist op het moment dat het manoeuvre scheen te gaan lukken om de lonen tot 1 augustus te stabiliseren, dat eens te meer het reformistisch verraad een domper had gezet op het tot uiting komen van de wil van de massa.
De Boeck schreef woordelijk dat de Partij de kracht had miskend die uitging van de 55.000 bij de reformistische Centrale gesyndiceerde mijnwerkers en dat zij de reformistische invloed had onderschat. Zo allen die actief betrokken zijn bij de proletarische beweging konden voorzien dat alle factoren voor een algemene staking zich vlug ontwikkelden, dan moet men toch in alle eerlijkheid toegeven dat niemand had verwacht dat deze enorme kracht die bijna het kookpunt had bereikt, de reformistische invloed aan het wankelen zou brengen en gedurende meerdere dagen de repressiekrachten van de kapitalistische Staat voor schut zou zetten.
Temeer, en wij beklemtonen dit, daar bovenvermeld manoeuvre dat door De Boeck werd aangeklaagd, op het punt stond te lukken. Het is dus tengevolge van de door de directie van de Société des Charbonnages Belges gestelde eisen en door de brutaliteit van de directie van de Levant de Flenu — die reeds dachten de zege binnenschot te hebben — dat het conflict in kracht toenam. Ditmaal moest de Regionale Centrale handelend optreden vermits de veralgemening van de staking onvermijdelijk werd en ze zich inderdaad verspreidde boven de hoofden van de leiders heen.
Tengevolge van de vergaderingen van de secties die ’s vrijdags werden gehouden in heel het bekken en waar de staking principieel met algemeenheid van stemmen was herstemd, hield de Regionale Centrale op zaterdag 2 juli een spoedzitting in het Volkshuis van Hornu en kondigde de staking af in de klaarblijkelijke hoop te kunnen bemiddelen op zondag, maandag en dinsdag, dagen waarop gewoonlijk gestempeld werd. Wegens de crisis werkte men in de mijnen slechts vier dagen in plaats van zes.
De objectieven die op deze vergadering van de Regionale Centrale werden gesteld, beantwoordden geenszins aan de verzuchtingen van de massa, maar gewoonweg aan die van de reformistische bureaucratie. In verband met deze beslissing schreef Le Peuple op 4 juli:
“De mijnwerkers hebben besloten tot staking over te gaan en zoals men weet hebben ze in de strijd die ze gaan leveren tegen het patronaat twee welbepaalde objectieven vooropgesteld: de werkverdeling en eerbiediging van de lonen tot eind oktober.”
Met andere woorden: verdeling en gelijkmaking van de ellende, geen verandering tot eind oktober, verergering na deze datum.
Nochtans werden de eisen van de mijnwerkers duidelijker naargelang de onrust groter werd. Vooraleer deze algemene vergadering van de Centrale had plaatsgevonden te Hornu waren er al enige incidenten gebeurd. Tijdens de nacht van donderdag 30 juni op vrijdag 1 juli werd de wagen van een ingenieur omgekeerd. Een andere ingenieur die te voet huiswaarts keerde werd de broek afgestroopt. Om te vermijden dat er slachtoffers zouden vallen hadden de vrouwen van Cuesmes besloten alleen te betogen. Zowat overal werden er spontaan betogingen georganiseerd.
Langzamerhand namen de strijdende mijnwerkers bezit van de straat. Het bureaucratisch apparaat van de BWP en van de SC bleef van zijn kant niet bij de pakken zitten. Dit moet hen toegegeven worden, de reformisten waren hoegenaamd niet bang hun invloed aan te wenden om ten alle prijzen een einde te maken aan het conflict.
L. Pierard, journalist-kamerlid uit de Borinage, richtte een open brief aan de koning. Deze brief zal wel het platste, het “klootachtigste”, het lafste stuk blijven uit de geschiedenis van het reformisme. Hij werd op 4 juli opgenomen in Le Peuple.
Na de moed van de mijnwerkers uit zijn “geboortestreek” te hebben opgehemeld, na de e1lende, de lage lonen en de mensonwaardige levensomstandigheden te hebben beschreven, na het op bloed beluste patronaat te hebben aangeklaagd en een gifpijl te hebben afgeschoten die moest leiden tot de uitwijzing van de vreemde arbeiders, besluit hij als volgt:
“De toestand is uitermate gespannen. Sire, wij verwachten van U een gebaar dat de gemoederen tot bedaren kan brengen. Ik smeek U, vertel de patroons en boven hun hoofden heen aan de Société Générale die hen de bevelen geeft, dat het ogenblik niet geschikt is om laatdunkend en ongevoelig te zijn noch om een onverbiddelijke houding aan te nemen.”
Dient er nog aan toegevoegd te worden dat hij nooit een openlijk antwoord kreeg? Anderzijds diende Delattre (voor de zoveelste maal) een ontwerp voor nationalisering van de mijnen in, dat gedoemd was de andere in de parlementaire archieven te vervoegen. Geen enkel detail werd uit het oog verloren om de mijnwerkers te doen afwijken van de weg die ze dienden te volgen om de verwaandheid en de laatdunkendheid van het patronaat te breken en om het reactionair offensief een halt toe te roepen. Gelukkig nam telkens net klasse-instinkt de bovenhand op de reformistische manoeuvres.
De dagen waarop gewoonlijk gestempeld werd — maandag en dinsdag — werden aangewend om in allerijl een compromis te sluiten. Een Speciale Commissie, gelast om het mijnconflict in de Borinage te onderzoeken, kwam dinsdagmorgen reeds bijeen in het ministerieel kabinet. Een tweede vergadering — ’s namiddags — werd afgerond met het verraderlijke compromis. Le Peuple, krant die de toon aangeeft aan heel de reformistische pers uit de streek, brengt verslag uit over deze overeenkomst en
“herinnert er vooreerst aan dat de algemene staking uitgeroepen door de mijnwerkers van de Borinage (en die ’s anderendaags op woensdag 6 juli een aanvang zou nemen) twee doeleinden nastreefde:
1) Werkverdeling; 2) Handhaving van de lonen.
De patroons aanvaarden de werkverdeling op voorwaarde dat deze algemene aanwerving hun sociale lasten niet zou verhogen (gezinstoelagen en gratis steenkool); voor wat betreft de handhaving van het loon aanvaarden de afgevaardigden van de patroons deze niet tot 31 oktober maar wel tot 1 augustus.”
Bemerk de fijnheid van het woordgebruik; de patroons aanvaarden de handhaving der lonen... niet tot op 31 oktober ... maar wel tot de 1ste augustus.
Die dag durfde Le Peuple nog niet openlijk de raad geven het compromis te aanvaarden, maar vestigt er de aandacht op dat het zal voorgelegd worden op de algemene vergaderingen van de stakers. ’s Anderendaags zal Le Peuple dit compromis een overwinning noemen. De nationale Raad van de Centrale hield diezelfde dag een vergadering, maar geen enkel woord werd erover gerept, Twee maanden lang zal deze Raad de mond slechts openen om ordewoorden van werkhervatting te laten horen.
Op woensdag 6 juli had de staking zich over gans het bekken verspreid. De mijnwerkers van de Borinage hadden alle uitvluchten en alle manoeuvres van de syndicale en politieke bureaucraten doorzien. Deze laatsten werden door de stroom meegesleurd. Dit begrepen ze al heel vlug. Op de stakersvergaderingen zien we ze een heel voorzichtige taal gebruiken waarbij ze zelfs verklaarden dat de interne democratie alleen rechtsgeldig was, wat hen echter niet belette dit principe telkens weer met de voeten te treden.
Met het oog op de algemene vergadering van de Regionale Centrale die die dag moest gehouden worden om uitspraak te doen over het compromis, vonden er massale sectievergaderingen plaats in alle dorpen. De syndicale bureaucraten legden zeer omzichtig het compromis uit dat de vorige dag gesloten werd in het kabinet van de Minister van Arbeid. De mijnwerkers verwierpen misprijzend deze bekrachtiging van hun ellende en eisten de afroeping van een nationale staking. Deze vergaderingen verliepen zeer eigenaardig.
Wie ook maar durfde een zienswijze te uiten die niet strookte met hun strijdwil werd onmiddellijk op de index gezet. De dubbelzinnige taal van de syndicale burelen verwekte in ’t bijzonder de achterdocht van de stakers. Meerdere reformistische leiders werden gewoon uitgejouwd en durfden zich niet meer voor de stakers te vertonen.
Steeds meer nieuwe eisen werden geuit op de vergaderingen en in de gesprekken op straat. De Borains waren niet tegen de werkverdeling, solidariteit was nooit een ijdel woord, maar een tastbare werkelijkheid. Van ’s woensdag af hadden enkele arbeiders van andere corporaties zich bij de stakers aangesloten. Die dag doortrokken massale betogingen de straten van gans de streek. De vrouwen waren het meest actief. Te Boussu verbood de reactionaire burgemeester de betogingen. Bepaalde stations waren reeds bezet door de rijkswacht. Ingenieurs werden opgepikt door de stakers en werden verplicht mee te gaan naar de Volkshuizen. De burgerlijke pers kwam in beroering en eiste dat versterkingen ter plaatse werden gestuurd, opdat het “recht op arbeid” zou geëerbiedigd worden. Gedurende gans de mand juni waren de militanten van de KP en van de Centrale, evenals revolutionaire mijnwerkers uiterst actief in het bekken en konden ze tijdelijk hun invloed doen gelden. Laten we er trouwens aan toevoegen dat om het even wie aan invloed had gewonnen door te spreken in de zin van stakingsuitbreiding. De actie van de KP droeg er dus toe bij om de aanvankelijke manoeuvres van de reformistische burgerij te verijdelen, maar ongelukkig genoeg zou hun invloed vlug afnemen, vooreerst door het feit dat de reformistische leiders deden alsof ze zich aansloten bij de beweging maar tevens door de fouten die inherent zijn aan de stalinistische politiek.
Zoals bij elk van hun stakingen voelden de klassebewuste Borains instinctief aan dat, om te overwinnen, het absoluut noodzakelijk was dat de staking zich zou uitbreiden over alle bekkens en alle industrieën (vermits de organisatie van de nationale staking toch niet van de grond kwam).
Elke beweging, elke daad van de massa was gericht op het economisch leven volledig lam te leggen. Aangezien de beroering steeds maar groeide, was de donderdag een dag vol incidenten. Bedienden en arbeiders van andere corporaties en dan vooral deze die buiten het bekken werkten, werden verhinderd zich naar hun werk te begeven. Het personeel van de pottenbakkerij Usines Céramiques in Saint-Ghislain sloot zich aan bij de staking. De ganse dag poogden de meest invloedrijke reformistische bonzen het vergelijk te doen aan aanvaarden.
Le Peuple blokletterde dat de “Nationale Raad der mijnwerkers met algemeenheid van stemmen oproept de voorstellen te aanvaarden” die in het kabinet van de minister werden uitgewerkt. De krant gaf eveneens een beknopt relaas van de algemene vergadering van de gewestelijke Centrale te Hornu die ’s woensdag had plaats gevonden en waar alle leiders onophoudelijk hamerden op de werkhervatting op basis van het vergelijk. Er staat gedrukt:
“De datum 1 augustus lijkt niet veraf genoeg te liggen. Maar zoals onze kameraden Delattre en Mester — die aan de besprekingen hebben deelgenomen met alle kracht die ze kunnen opbrengen — hebben uitgelegd, zou op 1 augustus de hele kwestie weer ten berde gebracht worden en niet op regionaal maar wel op nationaal vlak. Als het probleem aldus gesteld wordt, moet het in zijn geheel worden onderzocht en zou de beweging eventueel gesteund worden door de 120.000 mijnwerkers in België”.
Dit verslag belicht de demagogische zijde van de reformistische leiders. Terwijl ze de Borains onophoudelijk schouderklopjes gaven om hen weer aan het werk te krijgen, spiegelden ze de algemene staking voor op 1 augustus ingeval geen voldoening werd geschonken. Kamerlid Piérard neemt de walgelijkste taak op zich om de mijnwerkers te ontmoedigen. In dezelfde uitgave van Le Peuple kan men van zijn hand lezen:
“Men zegt dat de staking nog maar pas begint. — En daarna? Jamaar, staakt men gewoon voor de lol om eens te staken? Men doet het om een doel te bereiken. Eenmaal het doel bereikt, dient de strijd gestaakt met dezelfde eensgezindheid als waarmee men hem begonnen is.
Sommigen namen het maarschalk Foch kwalijk dat hij de Duitsers niet achtervolgd heeft tot in Berlijn met de sabel in hun rug. Foch zou geantwoord hebben: “Er wordt oorlog gevoerd om objectieven te bereiken. Eens dat deze bereikt zijn heeft men niet langer het recht onnodig bloed te vergieten.”
Wat mij op de vergadering van woensdag ook plezier heeft gedaan was te horen dat de afgevaardigden de aanwezigen op hun hoede stelden voor bepaalde straatrellen en betogingen die verkeerd zouden kunnen uitdraaien. Dat alle bewuste arbeiders maar oppassen voor de aanhitsers. In dergelijke tijden zijn er maar al te veel. Vergeet ook niet wat verscheidene afgevaardigden op de vergadering van woensdag hebben gezegd: in 1924 hebben de mijnwerkers uit de Borinage na tien dagen staken een gunstige uitslag bekomen. Meegesleept door hun ingeboren strijdlust aanvaarden ze die toen niet en verkozen ze de strijd verder te zetten. Drie weken later werd Sturbois door de rijkswachters gedood te Jemappes en was de staking meteen afgelopen. De mijnwerkers gingen terug aan het werk, onder slechtere voorwaarden dan die ze na tien dagen staken hadden kunnen krijgen”. (L.P.)
Op donderdag 7 juli voert de rijkswacht te paard haar eerste stormlopen uit. Vanaf het begin van de week werden versterkingen aangevoerd voor de repressiekrachten in het bekken. De rijkswacht was ingekwartierd in de mijnen. Nabij put 3 van Wagneaux te Hornu en te Wasmes liepen rijkswachters met de blanke sabel storm op de vrouwen en kinderen van de stakers. Dezen hielden een autobus tegen. De pers hield de kommunisten hiervoor verantwoordelijk. Op grondgebied van Hornu bolden er geen trams meer. De trammensen van de lijn Mons-Bossu-Dour begonnen te staken. De vrouwen begonnen krachtdadig de jongeren in de strijd te betrekken. Het verkeer verliep hoe langer hoe moeilijker. Bedienden en arbeiders die nog werken worden verplicht zich een vrijgeleide te laten afleveren door de syndicale secties en zelfs dan nog worden ze tegengehouden door de stakers. Alles wantrouwen ze. Mijndirecteurs worden opgesloten in hun eigen woning. Verspiedingsploegen worden gevormd. Zodra een voertuig is opgemerkt, weerklinkt er belgerinkel en is heel de straat op de hoede. Onmiddellijk wordt het voertuig door de menigte omsingeld en is het verplicht rechtsomkeer te maken. Het streven van de stakers om gans het economische leven lam te leggen begint een scherpere vorm aan te nemen. Botsingen tussen de openbare macht en de stakers vermenigvuldigen zich. Diezelfde avond publiceert heel de pers de uitslag van de stemming der secties.
Allen hebben zich uitgesproken tegen het vergelijk!
Dit is de derde kaakslag die de Borains hun leiders toedienen sedert de aanvang van de strijd. De burgerij is verontrust. De klerikale gouverneur van Henegouwen, Damoisaux, richt een omzendbrief aan de Burgemeesters van de Borinage, voor het merendeel sociaaldemocraten, waarin hij hen uitnodigt verbod uit te vaardigen tegen samenscholingen en betogingen en waarin hij hen vraagt hem binnen de 24 uur te laten weten welke maatregelen ze hebben getroffen om de orde te verzekeren en te handhaven.
Donderdagnamiddag kwam de Procureur-generaal met de Procureur des Konings van Mons van gedachten wisselen over de te nemen maatregelen. De mijnwerkers uit de Borinage maakten zich echter niet erg ongerust over deze voorbereidselen.
Tegen de avond van deze woelige dag namen de Borains — op geïmproviseerde samenkomsten op straat — een stoutmoedig besluit om de staking te veralgemenen. Dit was hen voorgedaan door enkele stakersgroepen die diezelfde dag waren afgezakt naar het bekken van het Centrum met als gevolg dat meerdere putten hun oproep tot samenhorigheid gunstig hadden beantwoord. Onmiddellijk daarna zouden ook de stakers van het Centrum en uit Charleroi dit voorbeeld volgen.
Heel de arbeidersklasse van het land, en terecht de mijnwerkers der overige steenkoolbekkens, volgden de strijd op de voet.
Een grenzeloze voldoening was over het land getrokken toen de Borains erin geslaagd waren de algemene staking in het bekken te doen uitroepen door de syndicale leiders. Nochtans bleven de bekkens van het Centrum en van Charleroi spijts de groeiende onrust betrekkelijk kalm tot woensdag op donderdagavond.
De raid die honderden wielrijders uit de Borinage ’s anderendaags ’s morgens gingen uitvoeren en waar stakers uit het Centrum zich in de loop van de dag zouden bij aansluiten, zou vérstrekkende gevolgen kennen. Spijts de inspanningen van de leiders van de Centrale uit het Centrum, om te voorkomen dat de sympathie die ze de stakers uit de Borinage betoonden zich in daden zou omzetten, hadden de mijnen van Bray en Estinnes-au-Val(gelegen op de grens van beide bekkens) het werk reeds neergelegd. De inval van bepaalde stakersgroepen zal zeker niet vreemd geweest zijn aan deze beslissing.
Le Peuple dat verslag uitbrengt over de algemene vergadering van de gewestelijke Centrale van het Centrum, die doorging op het ogenblik dat de Centrale van de Borinage het vergelijk verwierp, dringt aan opdat de arbeiders van het Centrum de vakbondsbeslissingen zouden eerbiedigen. Welke zijn deze beslissingen?
1° Sympathie voor de mijnwerkers uit de Borinage;
2° Zich klaar houden om de stakers te helpen zo het Nationaal Comité dit beslist!!
Maar we weten al dat op dat ogenblik het Nationaal Comité met algemeenheid van stemmen de stakers van de Borinage had aangezet het schandelijk vergelijk te aanvaarden.
Boven de hoofden van de leiders hadden meerdere koolputten besloten tot de staking over te gaan op vrijdagmorgen. Een ander voorval dat aantoont hoe de strijdgeest zich bliksemsnel voortplantte, vond plaats te La Louvière. Duizend werkers waren samengetroept op de Place Mansart waar twee arbeiders hen toespraken. De reformistische militanten van het Gewest begonnen zich terug te trekken in de Volkshuizen en de redactieburelen van hun kranten. Geleidelijk aan begonnen ook Le Peuple en de gewestelijke reformistische pers het probleem van de lonen aan te snijden. Het geplaag en gewrijf werd naar de achtergrond verschoven, waar het thuishoort.[3] Op dat ogenblik worden in de Borinage de directeurs en de bedienden opgesloten in hun eigen woningen. De arbeiders weigerden de putten te onderhouden, zelfs de paarden te verzorgen en verzetten zich tegen verplichte oproeping. De putten komen onder water te staan. De rijkswachters staan machteloos tegenover de massale betogingen die in heel het bekken gehouden worden. De Borains zijn meester van de straat. Nochtans rukken onophoudelijk Rijkswachtversterkingen aan vanuit alle hoeken van het land.
De vlugge uitbreiding van de staking naar het Centrum en Charleroi toe, verspreid hen en brengt ze op een dwaalspoor. De ganse dag lang beperkt hun activiteit zich om als toeschouwers de stakerscolonnes te volgen, die alle principes van privébezit met de voeten treden, en de fabrieken en putten binnendringen om de staking te ontketenen.
Deze colonnes zijn echte invalslegers, ze vormen zich, waaieren uit, hergroeperen zich en marcheren van west naar oost naar het bekken van Charleroi. Tegen de middag hebben 18.000 stakers zich bij de Borains vervoegd. De staking groeit als een olievlek.
Alle mooie vlaggen met gouden franjes die tijdens inwijdingen, verjaardagen en begrafenissen blijven netjes in hun foedraal in de meest duistere hoeken van de Volkshuizen liggen. Rode lappen, haastig bevestigd aan bezemstelen, komen van overal tevoorschijn. Meestal zijn het de vrouwen die het symbool van de revolutie meedragen. Meermaals zullen ze hun lappen met ongeziene moed, ja zelfs op gevaar van eigen leven weten te verdedigen. Wat men doorgaans de traditionele verblinding van de massa pleegt te noemen, groeit hier uit tot een onvermoede helderheid van geest. Uit dit lichaam met duizend ogen en duizend breinen groeien de stoutmoedigste en omvangrijkste initiatieven. De Internationale verheft zich van alle kanten boven deze zwarte aarde, die al eeuwenlang ellende en rijkdom heeft gebracht. Het gezang doet de bezitters sidderen en de hoofdverantwoordelijken beginnen zich in veiligheid te brengen. De reactionairen bereidden zich koortsachtig voor op het verzet en stelden zich op voet van oorlog. Tegen de namiddag slaagden ze erin de colonnes tot stilstand te brengen die het Centrum en het westelijk deel van het bekken van Charleroi al hadden aangezet tot staking. Dat ver loopt niet van een leien dakje. Massabetogingen botsen met de repressiekrachten. Over gans het front van de klassenstrijd wordt stormgelopen. Van alle zijden trachten de arbeiders Charleroi-stad te doortrekken of langs de omliggende wegen te gaan om het andere geïndustrialiseerde deel van het bekken te bereiken.
Om de gebeurtenissen die volgen en gaan leiden tot de dagen van opstand van 8 en 9 juli beter te begrijpen, zijn we wel verplicht vooraf een en ander toe te lichten over de syndicale toestand van het Charleroi bekken.
België is het land in Europa waar de verdeeldheid tengevolge van het verraad van de IIde Internationale in 1914 het minst scherp werd aangevoeld. De reformisten hadden spijts hun veelvuldig verraad hun controle over het grootste deel van het proletariaat kunnen behouden en hun invloed tot de klasse van de kleinburgerij kunnen uitbreiden. Behoudens één of twee syndicale afdelingen te Brussel, d.w.z. de kleine Centrale van de Revolutionaire Mijnwerkers die door de stalinisten geleid wordt en waarvan de hoofdmacht zich bevindt te Seraing in het Luikse bekken, en de Federatie van de Chevaliers du Travail van Charleroi, die bij het begin van de staking slechts 550 mijnwerkers groepeert, is de ganse syndicale klassebeweging aangesloten bij de (reformistische) Syndicale Commissie. De Federatie van de Chevaliers du Travail staat onder leiding van de kameraden uit onze groep Opposition Communiste de Gauche.
In tegenstelling tot wat de meeste arbeiders menen is het bestaan van deze mijnwerkersfederatie niet het gevolg ven de scheuring tussen communisme en reformisme, doch een erfenis uit het verleden. Nog vóór het ontstaan van de moderne syndicale organisaties bestonden er in het bekken van Charleroi al in het geheim kleine mijnwerkersorganisaties die zich Les Chevaliers du Travail noemden. Deze organisaties bewaarden altijd een klassekarakter, maar beperkten zich tot het plaatselijk vlak. Zelfs nu weigeren bepaalde kleine afdelingen zich aan te sluiten bij de Federatie en bewaren angstvallig hun volledige zelfstandigheid. Alle vooroorlogse inspanningen om ze op te nemen in de reformistische Centrale waren op niets uitgedraaid. Slechts na de oorlog, in de periode van overdreven bewondering voor syndicale beweging en centralisatie, slaagden de reformisten erin het overgrote deel van deze organisaties op te slorpen in de mijnwerkerscentrale. Lang duurde deze eenheid niet. Na het reformistisch verraad van de staking in 1920 werden vele van deze afdelingen opnieuw onafhankelijk. Deze scheuring werd destijds bestreden door de KP. Ze had noodlottige gevolgen voor de mijnwerkers van het bekken (het was zo dat op de vooravond van de staking slechts 8.000 van de 40.000 mijnwerkers die het bekken telt, waren aangesloten bij de Centrale en 550 bij de Centrale van de Chevaliers du Travail.).
Naargelang de revolutionaire militanten uit de reformistische syndicaten werden gesloten, kwamen ze de rangen van de plaatselijke afdelingen van de Chevaliers du Travail vervoegen.
Geleidelijk aan kwamen de afdelingen van Gilly en Chatelineau onder de invloed van de communisten en vormden ze met de afgescheurde syndicaten van Seraing de Chevaliers du Travail. Deze federatie zal vlug het slachtoffer worden van de tweedracht zaaiende stalinistische bureaucraten.
De twee strekkingen die rond de jaren 1926, 1927 en 1928 in de schoot van de KP met elkaar in botsing kwamen, lagen aan de basis van deze scheuring. Zij die voorstander waren van de uitbreiding van de federatie en de vorming van nieuwe syndicale afdelingen behoorden voornamelijk tot de centrumstrekking, de stalinistische strekking. Zij die voor de eenheid waren, het niet opnemen van nieuwe leden en tegen de oprichting van nieuwe afdelingen, gingen naar de Opposition Communiste de Gauche.
Nadat de Opposition Communiste de Gauche in maart 1928 uit de rangen van de KP was gestoten, eisten de stalinisten van het Nationaal Comité van de Federatie van de Chevaliers du Travail — waar ze in de meerderheid waren — de uitsluiting van Lesoil en De Waet, de délégués van de afdelingen van Charleroi in het Nationaal Comité. Hierop volgde de scheuring.
De stalinisten gaven toen hun eenheidspolitiek en eenheidsfrontvorming op, die was bepaald op het IIIde en IVde Congres van de Kommunistische Internationale en gingen met de onder hun invloed gekomen afdelingen over tot de vorming van de Centrale des Mineurs Révolutionnaires, waarvan de centrale kern zich bevindt te Seraing.
Onder leiding van onze kameraden zette de Federatie van de Chevaliers du Travail uit Charleroi de eenheidspolitiek en eenheidsfrontvorming voort en zou in staat zijn om tijdens de julidagen en de lange mijnwerkersstaking doeltreffend tussenbeide te komen in de gebeurtenissen in het bekken van Charleroi.
Meermaals had de Federatie de Reformistische Centrale van de mijnwerkers uit Charleroi voorgesteld de strijd gezamenlijk te voeren, met als enig doel voor ogen het belang der arbeiders te dienen. Niet éénmaal verwaardigden de reformistische leiders zich te antwoorden. Enkele maanden vóór de staking werden de bonzen nochtans door het Gewestelijk Congres verplicht een afvaardiging te zenden naar de Federatie. Tegenover de voorstellen tot eenheidsfrontvorming stelden ze de toetreding van de Federatie tot de Centrale, menend de afvaardiging aldus in moeilijkheden te brengen. De Federatie ging akkoord om het voorstel voor te leggen en het zelfs te verdedigen tegenover de afdelingen, op voorwaarde dat alle uitgeslotenen tegelijkertijd opnieuw zouden worden opgenomen en dat de arbeidersdemocratie zou worden geëerbiedigd, wat overeenkwam met het verwerpen van de Resolutie Mertens die tot doel had de communistische arbeiders automatisch uit de syndicaten te sluiten. De stalinisten riepen op om de voorwaarde te aanvaarden maar de reformisten weigerden en gaven hun ware aard nog wat meer bloot.
Deze volhardende en geduldige politiek had tot gevolg dat aan de vooravond van de staking de militanten van de Federatie konden rekenen op de achting van de arbeiders. Bij het begin van de gedeeltelijke stakingen in de Borinage eisten de stalinisten en de Centrale des Mineurs Révolutionnaires dat de Federatie van de Chevaliers du Travail het ordewoord zouden geven tot de algemene staking over te gaan.
De Federatie zou misschien een paar putten kunnen hebben lamleggen, daar waar ze een overwegende invloed had, maar aangezien deze stakingen te verspreid zouden zijn zou deze mislukking het patronaat de kans hebben gegeven slachtoffers te maken. De strijdwil was niet zo groot in het bekken van Charleroi als in dat van de Borinage waar praktisch alle mijnwerkers gesyndiceerd zijn. Vlak vóór de staking heerste er onder de arbeiders van Charleroi nog een grote verslagenheid, gevolg van het voortdurend verraad van de reformisten en van de afscheuring.
Daar waar de gewestelijke Centrale geen vinger uitstak, alarmeerden de militanten van de Partij en van de Chevaliers du Travail de werkers op de talloze meetings rond de koolputten en op algemene vergaderingen. De ordewoorden van de stalinisten “Sluit aan bij de Centrale des Mineurs Révolutionnaires”, “Vorm uw eigen Putcomités”, “Ga in staking”, vonden geen weerklank bij de mijnwerkers. De ordewoorden van de Federatie: “Organisatie van de algemene mijnwerkersstaking”, “Eis het referendum”, “Eenheidsfront van alle organisaties”, werden integendeel beter begrepen.
Gelijklopend met de steeds groeiende onrust in de Borinage, leverden de Federatie van de Chevaliers du Travail en de Opposition de Gauche goed voorbereidend werk.
Op woensdag 6 en donderdag 7 juli verspreidde de Federatie de volgende oproep op 10.000 exemplaren:
OPROEP AAN ALLE MIJNWERKERS
Kameraden,
Om hun lonen te verdedigen, om de werkverdeling te eisen, om niet al werkend van honger om te komen en om de hooghartigheid van de patroons te breken, zijn de mijnwerkers uit de Borinage in staking gegaan tegen de vermindering van 5 % en hebben ze deze beweging uitgebreid. Hun strijdwil heeft alle hindernissen uit de weg geruimd. Op de vergadering te Hornu waar de beslissing viel op de algemene staking:
“Eisen alle afgevaardigden de deelname van de mijnwerkers der overige bekkens; gezien de toestand menen ze dat een nationale beweging zich opdringt.” (Uittreksel uit het verslag verschenen in Le Peuple van 3 juli 1932).
Het is noodzakelijk de oproep van de Borains te beantwoorden en ons allen aan hun zijde te scharen om de steenkoolpatroons te verslaan. Waarom strijden? Om de patroons te dwingen de vermindering van 5 % terug te trekken (toegepast op 19 juni). Om de patroons te tonen dat jullie ook vastbesloten bent je lonen te verdedigen en hun hooghartigheid te breken. Want als jullie de Borains alléén laat strijden, dan zullen jullie weldra en zonder hen moeten strijden (jullie zullen wel moeten) om je te verdedigen en jullie zullen diezelfde moeilijkheden ondervinden als zij.
Kameraden,
Gecentraliseerde mijnwerkers, Chevaliers du Travail en niet-gesyndiceerden, allen broeders in de ellende, bespreekt onder elkaar, in de schachten, de staking en neem de beslissing ertoe over te gaan. Eis van de vakvereniging dat zij strijden voor de verdediging van de lonen en voor de samenhorigheid met de Borains. Doe met ons al wat jullie kunnen opdat binnen de kortst mogelijke tijd alle mijnwerkers uit het bekken van Charleroi samen in de strijd zouden gaan met de Borains. Dezen hebben een grote strijd ontketend! Laten we ons met vereende wilskracht en moed in de strijd werpen en we zullen de patroons doen terugdeinzen, zij die slechts sterk en aanmatigend zijn omdat we ons laten ringeloren!
Gecentraliseerde mijnwerkers, Chevaliers du Travail, weest allen aanwezig op de vergadering voor alle mijnwerkers die zal plaats vinden: Te Gilly, Volkshuis, maandag 11 juli om 9 u. ’s morgens. Te Roux-Aiselies, Salon du Mouquet (Pl.des Aiselies) op zondag 10 juli om 9u30 ’s morgens. Onderwerp: DE MIJNWERKERSSTAKING. De Federatie van de Chevaliers du Travail van Gilly en de Afdeling van de Chevaliers du Travail van Roux-Aiselies.
P.S. We hebben de Centrale van de Mijnwerkers van Charleroi geschreven om hen ons standpunt uiteen te zetten en om hen uit te nodigen op te roepen tot solidariteit met de Borains.
Twee leden van de Federatie van de Chevaliers du Travail gingen met de motor een deel van deze pamfletten in de Borinage afgooien om de Borains te verwittigen welke actie er werd gevoerd in het bekken van Charleroi.
Zoals men uit deze oproep kan afleiden vermoedden de meeste militanten nog niet met welke snelheid de staking zich ging uitbreiden noch met welke kracht de golf van opstand zou komen aanrollen op 8-9-10 juli. Ze belegden vergaderingen voor 10 en 11 juli. Welnu, op die dag was gans het economisch leven lamgelegd en zat de burgerij te beven van schrik. En precies op het ogenblik dat de steeds talrijker wordende repressiekrachten erin slaagden de colonnes van de Borains, versterkt door mijnwerkers uit het Centrum, tegen te houden, werd er te Gilly een monstervergadering gehouden.
Opgeroepen door de Chevaliers du Travail, stemden verscheidene duizenden arbeiders voor de staking. Het aanzetten tot staking nam er tevens een ongekende uitbreiding. Vele colonnes van demonstranten doorkruisten het ganse bekken en elke economische activiteit werd stopgezet. Niet enkel de mijnwerkers sloten zich aan bij de betoging maar tevens duizenden en duizenden arbeiders uit de metaalindustrie. Tegen de avond lag alles lam. Geen wagens meer op straat, geen vrachtwagens, geen trams.
Op de machtige metaalfabrieken van de “Providence” ging de strijd er het heetst aan toe. Meermaals poogden de stakers het bedrijf binnen te dringen. Alle uitgangen werden bewaakt. Tenslotte bereikten de arbeiders de machinekamers en werd de stillegging afgedwongen. Het oproer gromt overal. Er vallen gewonden onder de matrakken, de sabels en de kogels van politie en rijkswacht. Versperringen worden opgeworpen, “kasseien komen uit de grond”. Stenen beantwoorden de Rijkswachtsalvo’s. Op verscheidene plaatsen worden telefoonpalen geveld. Met mitrailleurs bewapende pantserwagens en lichte tanks verschijnen op straat maar de generale staf is bevreesd ervan gebruik te maken. Overal zijn de stakers meester van de straat en van de wegen. Op de belangrijkste knooppunten ontstaan enorme rellen.
Charleroi blijft niet gespaard van de “inval” van de stakers. In bepaalde gemeenten gaan de stakers zover, dat ze de spektakelzalen doen ontruimen. De algemene staking is wat ze willen.
Zolang er een schoorsteen rookt of een motor draait gunt de massa zich geen rust. Tegen de avond kraait de rode haan op het kasteel van de directeur van de “Providence”. De brandweerlui worden belet dat ze zich ter plaatse zouden begeven. Meer dan 150.000 arbeiders zijn in staking. Op zaterdagavond liggen de drie Henegouwse bekkens lam.
Partijleden en mensen uit de oppositie liepen op kop van deze betogingen en verbroederden in vele gevallen.
Wat deden de moedige leiders van de sociaaldemocratie? In hun Volkspaleizen opgesloten, predikten ze via hun pers de orde, de kalmte en de discipline. Vrijdagavond 8 juli had de gewestelijke Centrale van de Borinage een vergadering belegd in het Volkshuis van Hornu. De afgevaardigden stonden niet toe dat hun nationale secretaris, Delattre, inging op de uitnodiging van de Minister van Arbeid. Deze daad levert wel het bewijs hoezeer de mijnwerkers hun beweging in handen hebben en hoezeer ze het gepalaver wantrouwen. Het bewijst ook hun wantrouwen tegenover hun leiders. Dit gevoel wordt steeds meer beklemtoond. Op deze vergadering werd het onderhoud van de mijnen onderzocht. Het bureau dringt erop aan opdat men een beslissing ten gunste van het onderhoud der schachten zou afdwingen door een massa sentimentele argumenten aan te halen. De afgevaardigden die naar hun afdeling moeten terugkeren en die rechtstreeks in de greep van de massa zitten, durven deze verantwoordelijkheid niet nemen. Aangezien alle afgevaardigden gelast werden het bijeenroepen van een nationaal congres te eisen, wordt deze wens unaniem gestemd. De gewestelijke Centrale van het Centrum komt op zaterdag 9 juli bijeen. Deze vergadering is bijzonder woelig. De plaatselijke militanten keren zich heftig tegen het bureau dat volhardt in het miskennen van de beweging, terwijl de algemene staking al 48 uur een feit is.
Uiteindelijk moet het bureau toegeven en onder luide toejuichingen stemmen de afgevaardigden de schadeloosstelling van de stakers.
Le Peuple van 11 juli is bijzonder eigenaardig. Ze bloklettert op haar voorpagina een overgenomen titel van een artikel uit “Le Soir”, een groot “neutraal” informatieblad:
“De crisis is de vijand, noch met stenen, noch met geweerschoten zal men ze overwinnen.”
Met koppen van letters kondigt ze aan:
“Arbeiders, opgepast voor de valstrik. Orde, eenheid, discipline.”
Daarna wordt de lezers meegedeeld dat de bureau van de Algemene Partijraad en de Syndicale Commissie zich onder voorzitterschap van Mertens en Vandervelde verenigd hebben. Zij doen een ronkende oproep waaruit we deze zinsnede overnemen:
“In het belang van deze indrukwekkende beweging, mogen de arbeiders die in andere gewesten aan het werk gebleven zijn zich slechts bij hun strijdende kameraden aansluiten met methode en discipline en dienen ze de ordewoorden op te volgen die op de syndicale vergaderingen regelmatig werden besproken.”
Dat zijn de ordewoorden die nooit gegeven worden, voor de enige en eenvoudige reden, dat de reformistische bureaucratie nooit een vergadering zal bijeenroepen. Feit dat nog meer betekenisvol is: de politieke en syndicale Federatie van Brussel, die zich een mondeling gauchisme aanmatigden, die aan de hogere partij-, en vakbondsinstanties de afkondiging van de algemene staking eisten, die zelfs stemden om een referendum te organiseren in de Brusselse vakbonden, gingen nooit over tot uitvoering van hun eigen beslissingen.
Alle vakbondssecretarissen hadden met beide handen het referendum gestemd, maar geen enkele wilde het organiseren. Wat eens te meer de machiavellistische bedoelingen van de hogepriesters van het reformisme bevestigt, is dat het Congres van de Syndicale Commissie dat was aangekondigd voor 17 en 18 juli tot na de staking werd verschoven en uiteindelijk werd gehouden op 25 en 26 september.
Wat de onmiddellijke eisen betreft, zegt de oproep:
“1° Een verlaging der lonen kan geenszins meer in aanmerking genomen worden, zelfs niet onder vorm van een verhoging van de prijs van het brood”.
Wat inhoudt dat de bureau van de Syndicale Commissie en van de Partij akkoord gaan met de op 19 juni toegepaste vermindering waartegen de mijnwerkersmassa’s in opstand zijn gekomen. Zij erkennen de eisen van loonsverhoging niet die opduiken bij de enorme massa stakers.
“2° Rechtvaardige en eensgezinde werkverdeling onder alle loontrekkenden.”
Met andere woorden, rechtvaardige en eensgezinde verdeling van de ellende. En dan doen deze lieden nog alsof ze in opstand komen, daar waar communisten hen verraders noemen. Wanneer we in het begin van deze uiteenzetting zeggen dat het verraad bewust werd georganiseerd, dan menen we dit reeds halvelings te hebben aangetoond! En we zullen het helemaal bewijzen.
Hetzelfde nummer van Le Peuple kondigt eveneens aan dat de Politieke en Syndicale Federaties van Charleroi de algemene staking afkondigden op maandag 11 juli, d.w.z., net zoals in de vorige gevallen, nadat de staking een voldongen feit is, met als enige uitzondering de spoorwegarbeiders. De objectieven die ze de staking ten doel stellen komen ietwat duidelijker naar voren. Men voelt hier duidelijk het resultaat van de enorme strijd van de 8ste en de 9de. Maar over ’t algemeen genomen eisen ze slechts een status-quo. Uit elke bladzijde, uit elke kolom en uit elke regel spreekt de oproep tot “kalmte” en “waardigheid”.
De burgerij gaat deze oproepen en de vertraging van de strijd in de loop van de zondag te baat nemen om zich beter te organiseren, om de provincie Henegouwen te omsingelen en om daags daarop in de aanval te gaan tegen de massa’s.
De staat van beleg werd afgekondigd in gans de provincie. Een decreet werd uitgevaardigd waarbij het verkeer per fiets of per moto werd verboden. Rijkswachtposten werden geplaatst op alle wegen die van Henegouwen naar Brabant en Vlaanderen leidden. Versterkingen rukken onophoudelijk aan. 3.000 rijkswachters bevinden zich reeds in de provincie. Heel het noorden van het land, behalve dan Antwerpen, zit zonder rijkswacht. De troepen mogen het kwartier niet meer verlaten. De regimenten die zich in het kamp van Beverlo bevinden keren ijlings naar hun kazerne terug. Regimenten worden op transport gesteld naar het slagveld van de klassenstrijd, maar worden voorzichtigheidshalve omringd door Rijkswachteenheden.
Andere regimenten die gingen afzwaaien werden onder de wapens gehouden. De met mitrailleurs uitgeruste pantserwagens van het leger hebben de plaats ingenomen van de rijkswachters. Over ’t algemeen heeft men weinig vertrouwen in het leger. De regering neemt geen genoegen met het censureren van de radio-uitzendingen; ze legt de aankondigers zelfs het verbod op ook maar één woord te reppen over de gebeurtenissen. Op het ministerie van binnenlandse zaken, evenals op dat van landsverdediging heerst er dag en nacht een koortsachtige bedrijvigheid. De reactionaire pers eist de onmiddellijke terugkeer van de eerste minister, die zich op dat ogenblik te Genève bevindt, en maatregelen tegen een burgeroorlog.
In gans het land is de arbeidersklasse zenuwachtig enthousiast. Overal wordt de komst van de Borains verwacht. Het burgerlijke kamp staat versteld. De algemene veiligheid is paraat. Reeds zaterdagavond wordt Lahaut, secretaris van de Centrale des Mineurs Révolutionnaires, gearresteerd evenals een hele rits andere militanten.
De algemene veiligheid en de burgerlijke pers smeden een complot, waarmee ze willen doen geloven dat de gebeurtenissen te wijten zouden zijn aan de handelingen van bolsjewistische agenten voor rekening van een vreemde mogendheid.
De reformisten verzetten zich tegen dit complot, wel wetend dat dit een onfeilbaar middel is om het communisme te propageren. Ze herinneren zich het complot van 1923 tijdens de bezetting van het Ruhrgebied.
Vandervelde zal zelfs zover gaan de burgerij in een artikel van Le Peuple openlijk te suggereren de hele geschiedenis van het complot te laten vallen en de communisten naar de correctionele rechtbank te verwijzen i.p.v. naar het hof van assisen. Deze procedure is inderdaad veel brutaler, doeltreffender, doortastender, en doet minder stof opwaaien. Later zullen we de burgerij deze kostbare raad zien opvolgen.
De aanwezigheid van de rijkswacht op de terreinen van bepaalde mijnen in het Luikse bekken veroorzaakt vanaf zaterdag enkele gedeeltelijke stakingen. De mijnwerkers weigeren af te dalen, zolang de Rijkswachteenheden niet worden teruggetrokken. Merlot, sociaaldemocratisch burgemeester van Seraing, zal krachtdadig tussenbeide komen opdat de rijkswacht zich op de achtergrond zou houden om het werk te doen hernemen. Hierin slaagt hij gedeeltelijk.
Tot zaterdagavond breidde het conflict zich met duizelingwekkende vaart uit. Het economisch leven dat in Henegouwen was geconcentreerd werd helemaal lamgelegd. Drieduizend rijkswachters waren zoals gezegd samengetrokken in en rond de provincie Henegouwen. De afstand die deze provincie scheidt van andere steenkoolbekkens en industriële centra, zal voor de kapitalisten een kostbare hulp betekenen.
De staking zal zich wel uitbreiden tot de bekkens van Luik, de Kempen en zowat overal, maar ze zal nooit die geladenheid bereiken zoals op 8, 9, en 10 juli in Henegouwen het geval was.
Te Brussel, Leuven en Mechelen zullen lovenswaardige pogingen ondernomen worden door kleine revolutionaire minderheden van diverse strekkingen, maar uiteindelijk zullen de burgerij en de reformisten de toestand meester blijven en de beweging indijken, het werk door alle stakers doen hernemen met uitzondering van de mijnwerkers, en de staking van de zwartgezichten isoleren!
Laten we deze aanval stap voor stap volgen, zoals we ook deze van de Henegouwse arbeiders hebben gevolgd. Deze werkwijze zal duidelijk aantonen welke inspanningen de BWP en de SC zich getroostten om de strijd in de grond te boren, strijd die voorbestemd was om uit te groeien tot een klinkende overwinning van de Belgische arbeidersbeweging.
’s Zondags worden de verwaandheid en de getalsterkte van de repressiekrachten al erg goed aangevoeld. Te Roux drijft de rijkswacht een kleine betoging uiteen, waarbij een jonge arbeider wordt gedood en verscheidene anderen gekwetst raken. In de loop van maandag wordt het aantal rijkswachters opgedreven. Voor de eerste keer komen de pantserwagens in actie onder bijzonder dramatische omstandigheden, vermits ze werden ingezet nadat de sociaaldemocratie een beroep had gedaan op de openbare macht om het samenscholingsverbod te doen eerbiedigen.
De werkende klasse die zich weinig ongerust maakte over het smeden van communistische complotten en die wou dat de reformistische leiders het ordewoord zouden geven tot de algemene staking van alle corporaties in het land, voelde instinctief aan dat er pas echt werd gecomplotteerd binnenin haar eigen Volkshuizen. Aldus kan men zien hoe te Charleroi, Brussel, Luik, enz. duizenden en duizenden arbeiders er urenlang gaan voor postvatten. De burgerij was bevreesd. Ze brengt haar zogezegde antifascistische milities in ’t geweer om de Volkshuizen te verdedigen die op geen enkel moment werden bedreigd. De arbeiders die zopas meerdere fabrieken hadden overweldigd, hadden niet eens het kleinste tandwieltje beschadigd. De geest die de arbeiders in het midden van de negentiende eeuw bezielde tegen het gebruik van machines was goed en wel dood. De idee dat ze zich de productiemiddelen moesten toe-eigenen en niet vernietigen, was goed begrepen.
De bezetting van de Volkshuizen zou ten andere niets anders hebben opgeleverd dan dat zo dit bureaucratisch rapaille dat op hun kap leeft eens goed de zolder en de kolder zouden uitvegen.
De reformristen waren zich terdege bewust van deze eenvoudige waarheden, doch aangezien ze de Volkshuizen als hun eigendom beschouwden, lieten ze de ware eigenaars — de massa — door hun milities met matrakslagen uiteendrijven. En vermits deze milities dreigden overrompeld te geraken door de hevige en gerechtvaardigde reactie van deze massa, aarzelden ze geen ogenblik, net zoals de eigenaars van de mijnen en de fabrieken, om een beroep te doen op de burgerlijke ordediensten. Ze bekenden dit cynisch in Le Peuple. Hier volgt wat dit blad schrijft op 17 juli, onder de handtekening van L. Labeau.
“Maandagmorgen omstreeks halfelf telefoneerde burgemeester M. Tirou met L. Matagne (de reformistische leider) om hem te vragen of een militant het publiek dat voor het Volkshuis samentroepte zou verzoeken zich te verwijderen. Vandervelde bood zich welwillend aan. Zijn korte terechtwijzing maakte indruk op de overgrote meerderheid van het publiek, dat applaudisseerde.
Maar onmiddellijk nam de vernielingsdrang weer de bovenhand, en terwijl onze leider weer naar binnen was gegaan, begon het publiek te roepen, te tieren en te dreigen. Het volgde hierin blindelings het ordewoord dat op de communistische meetings was gegeven.
Souplit (andere reformistische leider) telefoneerde naar Tirou om hem te herinneren aan de verordening over de samenscholingen en eist dat de plaatselijke politie het publiek zou komen uiteendrijven.
Maar ondertussen waren de Rijkswacht en de pantserwagen verschenen voor het Volkspaleis.
Het publiek zal zich verspreiden zonder de minste tussenkomst van de strijdmacht. Maar weldra komen de communisten en de plunderaars zich opnieuw verdringen voor het Volkspaleis dat ze zullen trachten te bezetten onder leiding van de agitator Decellier.
Terwijl Van Walleghem (een andere reformistische leider) opnieuw telefoneerde met Tirou om hem mee te delen dat onze vreedzame poging om het publiek uiteen te drijven mislukt en dat het niet aan ons was om de verordening van de goeveneur te doen eerbiedigen (Wie zal er ons nog komen vertellen dat de reformisten niet de lieden zijn die de meeste eerbied betonen aan de decreten en verordeningen van de burgerlijke staat?) bereidde de rode wacht zich voor om te riposteren en wou deze zelf de straat op om het terrein te zuiveren.
Onze rode wachters moesten er met van woede vertrokken gezichten in berusten hun kalmte te bewaren. Men had hen te verstaan gegeven dat ze door samen op te trekken met de straatplunderaars, zich zouden blootstellen aan de kogels van de rijkswachters en de pantserwagen. Daarin zou het ware gevaar gescholen hebben.
De rode wachters verzamelden zich daarop voor de ingangspoort en vormden een levende muur tegen de bestorming tot op het ogenblik dat de strijdmacht de omgeving van het Volkspaleis kwam zuiveren.”
Deze reformistische weergave van de feiten bevat de meest cynische en wansmakelijke bekentenissen die aantonen welke weg het reformisme heeft afgelegd in de toepassing van de politiek van klassensamenwerking.
Zoals ze zelf zeggen werden er stormlopen uitgevoerd en vielen meerdere arbeiders onder de kogels van hun vrienden en beschermers.
Hetzelfde speelde zich af rond het Volkshuis van Luik, zij het dan met minder heftigheid. Meerdere dagen na elkaar zal men kunnen lezen in de reformistische pers dat de communisten rond de Volkshuizen sluipen. Deze pers zal ook niet ophouden een ware ophitsingpsychose te scheppen tegen deze revolutionaire militanten, die onophoudelijk hun plicht doen in deze grootse beweging. Het verzonnen verhaal van de bestorming der Volkshuizen zal opgevrolijkt worden door een boertig voorval.
Zoals we hebben gemerkt in het relaas van Le Peuple werd Vandervelde ongenadig uitgejouwd door de massa ...plunderaars. Wat een heiligschennis: de “baas”, het kopstuk uitjouwen. Heel de burgerlijke pers vermeldt het feit met voldoening. De woede van de reformisten kent geen grenzen. Elke dag komen ze er weer op terug op dit pijnlijk voorval om het te ontkennen en om de indruk uit te wissen die het op de burgerij had gemaakt. Twee maanden na de staking zullen ze nogmaals op het geval terugkomen om het te ontkennen.
Maar al deze zogezegde aanvallen op de Volkshuizen waren slechts een handige zet om nog een afleidingsmaneuver er bij te krijgen en om de arbeiders — en dan vooral de reformistische arbeiders — te beletten in te zien wat er zich in werkelijkheid aan het afspelen was binnenin de Volkshuizen. Nochtans moet even nader omschreven worden wat deze zogezegde “aanvallen” op de Volkshuizen in feite waren.
Wat betekende dit, en wat is er in werkelijkheid voorgevallen? Zowel de reformistische als de burgerlijke pers gaven een monsterachtige vervorming van de feiten, ze belogen en bedrogen hun lezers. De waarheid is dat de meeste Volkshuizen van Charleroi en omgeving met uitzondering van het Volkspaleis van Charleroi, gewoon in handen waren van de stakers. In een beweging van die omvang zijn de Volkshuizen onvermijdelijk de ontmoetingsplaatsen van de arbeiders. Nemen we bijvoorbeeld Chatelineau. In deze gemeente waren de Chevaliers du Travail een paar jaar voordien al uit de lokalen van het Volkshuis geweerd, bij een meerderheid van twee stemmen.
Een tijdje vergaderden ze dan maar in de gelagzaal van het Volkshuis van waaruit ze insgelijks werden verdreven; vervolgens hielden ze verscheidene van hun meetings zomaar
het volgende schrijft:
“Onze syndicaten van Charleroi slaan terug de richting van de staking in; in het Volkspaleis krijgt men meer en meer de indruk dat de socialistische syndicaten de leiding van de beweging opnemen. Binnen 1 à 2 dagen zal er contact genomen worden met de stakers.”
’s Woensdags schrijven de reformisten dat ze de indruk hebben, (alleen maar de indruk) dat de socialistische syndicaten de leiding van de beweging opnemen, nadat ze daags voordien hebben geschreven dat de arbeiders gevolg hadden gegeven aan hun ordewoord tot staken. Dit is weldegelijk bekennen dat ze nergens de leiding over hadden. Wat nog ernstiger is, is wel dat Le Peuple het sein tot de “aanval” geeft door te schrijven dat er “in de eerstkomende dagen een contactname zal plaatsvinden met de stakers.”
De lezer zal dit wel even willen onthouden. De zinsnede zal pas enkele weken later haar volle betekenis krijgen wanneer De Rode Vaan bepaalde brieven van burgemeester Tirou van Charleroi zal publiceren die wij wat verder in dit werk zullen opnemen. Zoals reeds gezegd was de staking in Henegouwen algemeen, op de spoorwegarbeiders na. Nochtans voelde deze corporatie eveneens de dringende noodzaak aan zich in de strijd te mengen om haar solidariteit met de stakers te betuigen en om voor haar eigen eisen op te komen. De sectie der spoorwegarbeiders van het Centrum had het beginsel van de staking gestemd en de wens uitgedrukt de staking te veralgemenen. Op 11 juli interviewde een opsteller van Le Peuple de nationale secretaris Renier. Op de vraag of het Nationaal Syndicaat van de arbeiders van spoor, post, telegraaf en telefoon een Nationaal Congres ging bijeenroepen als gevolg aan de wens van de actie van het Centrum, antwoordde deze:
“Jawel, waarschijnlijk nog deze week, teveel secties dringen erop aan, maar alleen de afgevaardigden zullen in kennis gebracht worden van dag en uur.”
Dit congres vond nooit plaats en Renier schreef later zelfs in de “Ralliement”, orgaan van het Nationaal Syndicaat van spoor, PTT.
“Wij houden eraan te verklaren dat, alhoewel al onze sympathie uitgaat naar de kameraden mijnwerkers, we toch afkerig staan t.o.v. de door hun Congres uitgedrukte wens voor wat betreft de algemene staking van alle corporaties. We moeten in alle eerlijkheid toegeven dat het je reinste waanzin zou wezen om ons onder de gegeven omstandigheden in een uitzichtloos avontuur te willen storten, laat staan onze organisatie eraan op te offeren.
Zoiets mag men niet van ons verwachten. Men kan van ons moeilijk verwachten dat we uit solidariteit met de mijnwerkersbeweging zouden weigeren de kolenwagons te doen bollen, gewoon maar omdat ze geladen werden door soldaten.
Voor leken lijkt een dergelijke beslissing gemakkelijk. Voor ons spoorwegarbeiders is ze heel wat ingewikkelder
Een dergelijke weigering zou gelijk staan met een staking waarin we onherroepelijk van het ene incident in het andere zouden gesleept worden.”
Niet alleen verplichtte het nationaal syndicaat de spoorwegarbeiders aan het werk te blijven, maar tevens gedurende twee maanden de heldhaftige staking van de mijnwerkers te saboteren, door het kolentransport te blijven verzekeren.
Spijts de gezamenlijke inspanningen van de patroons, de Staat en de reformisten, breidde de staking zich ondanks alles toch uit naar de andere streken, aldus het bewijs leverend van haar enorme leefbaarheid. ’s Maandags leggen de steengroeven van Esaussinnes het werk neer; die van het bekken van Zinnik stemmen voor de staking. Te Nijvel in de provincie Brabant besluiten de industriëlen vanaf zaterdag 9 juli om met ingang van maandag juli alle fabrieken stil te leggen. Le Peuple bestempelde deze beslissing als een “wijze maatregel”. Maar toen de zondagavond een compagnie Karabiniers het peloton Gidsen kwam versterken dat daags voordien al was aangekomen, veranderden de patroons van mening en wilden ze maandag het werk doen hervatten. Dit weigerden de arbeiders en de staking was algemeen.
Te Turnhout, in de provincie Antwerpen, waar er al een tijdje een staking aan de gang was, hadden erge schermutselingen plaats tussen de stakers en de marechaussee; er vielen verscheidene gewonden. De mijnwerkers van de Neder-Samber laten de putten in de steek en sluiten zich aan bij de beweging. Te Auvelais breekt er een staking uit in de Usines des Produits Chimiques en in de spiegelglasfabriek.
In de provincie Luik worden andere putten verlaten, en de staking veralgemeent zich ondanks de muur van stilte die men om dit bekken had getrokken.
Te Zottegem in Vlaanderen breekt een staking uit in een textielfabriek; een arbeider wordt ernstig gekwetst door de zoon van de industrieel. De metaalarbeiders van de fabrieken Carels in Gent stoppen er eveneens mee. Te Leuven gaan de metaalarbeiders de fabriek niet binnen. De reformistische leiders komen toegeschoten en dreigen de staking niet te erkennen en bijgevolg het stakersgeld niet te zullen uitkeren. Grommend begeven de arbeiders zich naar hun werkbank.
Te Brussel, zoals overal elders, heerst er een koortsachtige atmosfeer. De kranten die verslag brengen van de formidabele inspanning der Henegouwse proleten worden letterlijk uit de handen gerukt. Overal wordt er spontaan vergaderd; vooral dan op de kruispunten van de arbeiderswijken. Overal weerklinkt dezelfde kreet: “Als de Borains komen, marcheren wij allemaal mee!”
Als een deel van het proletariaat zich in die dagen populair heeft weten te maken, dan waren het zeker wel de Borains. Nochtans bleef in Brussel alles nogal aanslepen. Daarvoor waren er verscheidene redenen.
Brussel heeft geen grote industrieën. De stad is niet omgeven door een industriële gordel zoals Parijs en Berlijn. Het is slechts na de oorlog dat de grote fabrieken er zullen komen te Vilvoorde, Vorst en Ruisbroek. De arbeidersklasse is behoudens een paar uitzonderingen versnipperd in een groot aantal fabriekjes en werkplaatsen, een groep talloze kleine lichte industrieën. Er is geen concentratie van de arbeidersklasse zoals buiten de hoofdstad. Zelfs vanuit topografisch oogpunt is de concentratie in de arbeiderswijken niet beslissend. De meeste worden doorsneden door boulevards en lanen waar de kleinburgerlijke en burgerlijke elementen overheersen.
Een andere reden is porder subjectief. De KP is praktisch niet vertegenwoordigd in de hoofdstad. De Opposition de Gauche staat zeer zwak en het merendeel van de revolutionaire militanten is uit hun syndicaten gestoten.
De concentratie van het proletariaat vindt plaats in de Volkshuizen; op het ogenblik dat er meetings gehouden worden of dat er over eisen vergaderd wordt.
Op dit ogenblik is de werklozencontrole het concentratiepunt en dat verklaart onmiddellijk hoe het komt dat de beweging daar van start is gegaan, beweging die zo sterk zou uitgedrukt worden door slijmbal Max[4] met alle tragische gevolgen van dien.
De stakers die bij duizenden dagelijks de weg naar het Volkshuis inslaan, bleven dagenlang postvatten vóór het lokaal. Ze werden ongerust, wel wetend dat daarbinnen de bonzen aan ’t palaveren waren. Meerdere dagen na elkaar blijven duizenden stakers stoïcijns ter plaatse staan, in afwachting van de oproep tot algemene staking.
Dan worden ze ongedurig. Dat was op dinsdag 12 juli. Er komt een spontane betoging tot stand. Met duizenden zakten ze de Blaesstraat af. Instinctief sloegen ze de richting in van Vorst en Ruisbroek. Zo de betoging had kunnen verdergaan, dan zou ze zienderogen aangegroeid zijn. Zo ze langs de fabrieken van Vorst zou trekken, dan zouden de arbeiders het werk neerleggen. Dan was het staking.
Max en zijn legerstaf hadden dit goed begrepen. Alle politiekrachten werden overhaast op de betoging afgestuurd. Het kwam tot een straatgevecht op de Balspelplaats aan de oude markt. Met ongehoorde brutaliteit liep de politie storm. Er vielen drie gewonden, waaronder een jongetje dat drie dagen later overleed. Verscheidene aanhoudingen werden verricht waarvan er enkele werden bekrachtigd. Hieronder viel een kameraad van de Opposition ’s Anderendaags werd er een meeting georganiseerd door het Inter-professioneel Stakerscomité die door Max werd verboden. Duizenden arbeiders die de oproep hadden beantwoord werden brutaal afgeranseld en verjaagd naar het grondgebed van de gemeenten St. Gillis en Anderlecht, waar ze op matrakslagen werden onthaald door de politie van St. Gillis, en waar ze dreigden nat gespoten te worden door de brandweer van Paulsen, sociaaldemocratisch burgemeester van Anderlecht.
Voor de eerste maal probeerde men er een betoging uiteen te drijven met politiehonden. Een laatste poging werd ondernomen door enkele militanten van allerlei strekkingen om de arbeiders te verzamelen en hen op te roepen tot samenhorigheid met de strijdende arbeiders. Ditmaal hoefde de politie niet meer tussenbeide te komen: de Algemene Raad van de BWP en de Syndicale Commissie hadden dit al gedaan ...
Dat was op zaterdag, dag waarop ze in Le Peuple achter allerlei ronkende bewoordingen de capitulatie, het verraad publiceerden.
De ontmoedigde arbeiders gaven geen gevolg meer aan de oproep. Het lijdt geen twijfel dat indien er op dat ogenblik — maandag 11, dinsdag 12 en woensdag 13 — een hechte alhoewel misschien kleine KP was geweest, een partij die in ’t verleden een eenheidspolitiek had gevoerd en aangehaakt bij de syndicaten met goede fracties in plaats van een Revolutionaire Syndicale Oppositie die los stond van de syndicaten wegens de scheuringspolitiek en die slechts revolutionair was van naam, een partij die gehoor vond bij de massa, dan hadden de reformisten tienmaal meer bedrijvigheid aan de dag mogen leggen, tienmaal verraderlijker geweest zijn, dan nog zou het buiten kijf staan dat de algemene staking in het land een voldongen feit zou zijn geweest.
Ongelukkig genoeg voor het proletariaat hadden de stalinisten zich in 1928 gelast om het embryo van deze partij te aborteren. De afwezigheid van een revolutionaire partij gaf de reformisten vrij spel om de stakers te misleiden. In hun centraal orgaan blokletterden ze levensgroot
BELGISCHE WERKLIEDENPARTIJ EN DE SYNDICALE COMMISSIE ZIJN:
MET DE STAKERS TEGEN DE REGERING
MET DE STAKERS TEGEN HET CENTRAAL INDUSTRIEEL COMITÉ
MET DE STAKERS TEGEN HET BANKKAPITAAL
MET DE STAKERS TEGEN DE OPROERLINGEN
Om dit te bewijzen beletten ze dat de spoorwegarbeiders deelnamen aan de strijd, waren ze vastbesloten het conflict te beperken door veelvuldige manoeuvres, bereidden ze “mooie” toespraken voor, voor hun redevoeringen in de Kamer en schiepen ze een atmosfeer van haat en ophitsing tegen de revolutionaire militanten.
De reactionairen van hun kant bleven ook niet werkloos toekijken. Vanaf maandagmorgen overvlogen escadrilles vliegtuigen heel Henegouwen om via de boordradio’s door te seinen waar juist de betogingen gevormd werden. Op die manier kon de burgerij zeer snel repressiekrachten doen aanrukken tegen de samenscholingen en de opstappende betogingen. In de Borinage heeft men zeer veel moeite om de massa’s uiteen te drijven. Over ’t algemeen komt het tot een evenwicht in de machtsverhoudingen. De burgerlijke pers begint te spreken van verspreide betogingen waarin men de “opstandelingen” als hazen ziet vluchten. Zij begint te spotten met de onmacht van de massa in haar strijd tegen de tot de tanden bewapende bandieten van het repressieapparaat.
Op dinsdag 12 juli waren de klabakken weer heer en meester op straat. De betogingen van Gilly en Chatelineau die de laatste waren in Henegouwen werden onbarmhartig met de sabel uiteengeslagen.
’s Woensdag dringt de bereden rijkswacht binnen in de Volkshuizen. De provocaties volgden elkaar op. Bij het verlaten van vergaderingen worden de stakers telkens brutaal uiteengedreven.
In de Borinage dwongen de rijkswachters de proletariërs de met allerlei projectielen bezaaide straten op te vegen en de zowat overal opgerichte barricaden af te breken.
In deze tijdspanne van 3 dagen, van maandag 11 tot woensdag 13, waren meer dan 300 aanhoudingen verricht, waaronder meerdere kameraden van de Oppositie. Onder deze aangehoudenen bevinden zich 3 ingenieurs ... die zich hadden laten leiden door de ellende en enkele jonge socialistische wachters die oproepen aan de soldaten hadden aangeplakt; ze werden overigens onmiddellijk weer vrijgelaten.
Le Peuple kondigt met voldoening aan dat de communistische militant Decellier, deze “gevaarlijke ordeverstoorder in verzekerde bewaring” is. De reactionairen worden driester. Per autobus worden mannen opgeëist voor het onderhoud aan de koolputten. Deze brutale opeisingen voeren ze meestal uit op het ogenblik dat een groot aantal stakers in vergadering bijeen zit. Elders, in de overige delen van het land, verdubbelen de reactionairen hun inspanningen om elke agitatie de kop in te drukken en elke vorm van staking te doen ophouden.
De gouverneur van Oost-Vlaanderen kondigt de staat van beleg af aan de grens met Henegouwen. Bepaalde zenuwknopen van het economisch apparaat, elektrische centrales en gasfabrieken, worden omgebouwd tot kleine forten. Ook de reformisten steken de kop op. Alhoewel de Volkspaleizen gesloten zijn, worden ze toch dag en nacht bewaakt door “rode” wachters.
De stakers van hun kant organiseren het verzet. Daar waar de Chev. du Travail een invloed kunnen doen gelden ontstaan er stakerscomités, samengesteld uit stakers van alle corporaties, van alle strekkingen en uit niet-gesyndiceerden.
Overal wijten de lokale secties de mislukking aan de bureaucratie. Op de vergaderingen legt de basis haar wil op. De stakers spraken zich beetje bij beetje uit voor de volgende eisen, uitgewerkt door het stakerscomité van Chatelineau:
De stakers van Chatelineau, mijnwerkers, metaalarbeiders en anderen, gesyndiceerd bij de socialistische centrale, de Chevaliers du Travail en niet-georganiseerden, met meer dan 1.500 man in het Volkshuis vergaderd op maandag 11 juli 1932, hebben met algemeenheid van stemmen en vol enthousiasme de volgende dagorde gestemd:
Eisen van de Syndicale Commissie en de nationale directie van het Nationaal Syndicaat der Spoorwegarbeiders de afkondiging van de algemene nationale staking voor de inwilliging van volgende eisen:
1° Terugbetaling van de laatste loonsvermindering en uitsluiting van elke nieuwe vermindering met een gewaarborgd levensminimum;
2° Afschaffing van het decreetwet op de werkloosheidstoelage met opheffing van de opgelegde minima van 2/3 en 3/4 van het loon;
3° Schadeloosstelling van de niet-georganiseerden door de openbare macht;
4° Strijd voor de 6-urendag met werkverdeling onder toezicht van de syndicale organisaties;
5° Tegen de broodbelasting;
6° Vermindering van de huurprijzen met 50 %.
Zoals men zich wel kan inbeelden, waren deze eisen heel wat anders dan het stabiliseren van de lonen tot de 1ste november.
Het essentieel doel ervan was de terugtrekking van de loonsvermindering van 5 % die op 19 juni werd toegepast.
Deze eisen waren de exacte uitdrukking van de verzuchtingen der mijnwerkers die een einde wilden stellen aan de gehandhaafde ellende die met lichaam en ziel werd verdedigd door de postjesverzamelaars van de BWP en de SC.
Dit ordewoord “tegen de stabilisatie van de miserie”, dat werd gegeven door het stakerscomité van Gilly en Chatelineau, zou zich als een vuurtje verspreiden omdat het een eenvoudige en duidelijke samenvatting was van de vurige wens der mijnwerkers om een einde te stellen aan hun lijdensweg en die van hun gezinnen. Dit ordewoord droeg veel bij tot het algemeen verzet van de mijnwerkers tegen het ordewoord tot werkhervatting dat op 16 juli werd gegeven door de Algemene Raad van de BWP en het Nationaal Comité van de Syndicale Commissie.
De reformistische bureaucraten van Charleroi die zes dagen hadden zitten beven, zetten een actieplan op stapel om de eenheid te breken die naar voren was getreden in de strijd en om verdeling te zaaien onder de arbeiders van de verschillende corporaties, de gesyndiceerden van de reformistische Centrales, de andere gesyndiceerden (Chevaliers du Travail) en de niet-gesyndiceerden die zich tijdens de voorafgaande dagen in de voorste linies van de strijd hadden bewogen.
Om deze poging tot een goed einde te brengen en om contact op te nemen met de stakers in het bekken van Charleroi, was het tevens en voor alles ook nodig dat de bureaucraten zich niet zouden “blootstellen aan de kogels van de rijkswachters en de pantserwagen”. Zij wilden wel graag tot bij de stakers gaan om hen te verdelen en om ze in handen te spelen van de industriemagnaten en de banken, maar dan op voorwaarde dat de burgerij zou willen waarborgen dat ze daarvoor hun vel niet hoefden te riskeren.
En aldus kwam een der monsterachtige daden tot stand tussen de leiders van de politieke en syndicale federaties van Charleroi en de burgemeester van de stad, Tirou, in overeenkomst met de leiders van de BWP en de SC enerzijds, en met de ministers van Binnenlandse Zaken en van Landsverdediging anderzijds.
Hier volgt de kopij van de brieven van de burgemeester van Charleroi, op 9 oktober gepubliceerd in het orgaan van de KP, De Rode Vaan.
Deze brieven werpen een schril licht op deze verwerpelijke handel om de eenheid van de stakers te breken en de algemene staking te torpederen.
Charleroi, 14 juli 1932
Mijnheer en Beste Collega,
Ik heb de eer U ter kennis te brengen dat ik, als gevolg aan de vraag die tot mij werd gericht door de Federatie der Syndicaten van de Socialistische Partij van het arrondissement Charleroi, ben tussenbeide gekomen bij de Heer Minister van Landsverdediging, de Heer Minister van Binnenlandse Zaken, bij de militaire overheid die het bevel voert over de maatregelen van openbare veiligheid in ons arrondissement, om de volgende schikkingen te bekomen die werden aanvaard door alle bovenvermelde overheden.
Teneinde de door de verantwoordelijke partijleiders totnogtoe genomen beslissingen te doen bevestigen en te bekrachtigen door haar gesyndiceerden, en gezien de overeenkomst die werd bereikt in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, teneinde te kunnen overgaan tot de werkhervatting, organiseert de Federatie der Syndicaten in haar plaatselijke afdelingen algemene vergaderingen van haar aangeslotenen.
Deze vergaderingen zullen plaatsvinden in de Volkshuizen van iedere gemeente, zonder stoet, noch bij het binnenkomen, noch bij het buitengaan. De plaatselijke leiders zullen de orde verzekeren van hun vergadering. De militaire overheden zullen rijkswacht- en legerafdelingen van deze lokalen verwijderd houden.
Deze afdelingen zullen slechts tussenbeide komen op de openbare weg, in de sector van deze lokalen, indien de verordeningen niet in acht worden genomen of indien er wanordelijkheden worden uitgelokt.
De socialistische leiders zullen uitsluitend gesyndiceerden leden in hun lokalen toelaten, die drager zijn van hun eenzelvigheidsbewijs. Er bestaat dus kans dat elementen die vreemd zijn aan deze syndicaten zullen trachten deze vreedzame vergaderingen te verstoren; onder deze omstandigheden is het nochtans noodzakelijk dat U een burgerdienst laat waken over de samenscholingen die zich rond deze lokalen zouden kunnen voordoen en die zich vijandig zouden kunnen tonen tegenover deze burgers die gebruik maken van hun recht op vergaderen en die zich ten doel stellen de gemoederen te bedaren.
In uw gemeente zal deze vergadering doorgaan op 15 dezer om 9 uur.
Aanvaardt, Mijnheer en Beste Collega, mijn eerbiedwaardige gevoelens.
De Burgemeester van Charleroi,
Y. Tirou
Charleroi, 16 juli 1932
Mijnheer de Burgemeester,[5]
Ik heb de eer U kopij te mogen bezorgen van de brief die ik met dezelfde post richt aan de Heer Afgevaardigde van de Federatie der Socialistische Syndicaten van het Bekken van Charleroi teneinde af te zien van de verantwoordelijkheid tengevolge van de verbintenissen aangegaan op 14 dezer en die geleid hebben tot de overeenkomst die dezelfde dag door mij werd getekend in naam van alle hogere overheden en door Mr. Gailly in naam van de Federatie der Socialistische Syndicaten.
Aanvaardt, Mijnheer de Burgemeester, mijn uitgesproken achting.
De Burgemeester van Charleroi,
Y. Tirou
Charleroi, 16 juli 1932
Mijnheer Gailly,
Terugkomend op de terugwerkende kracht van de overeenkomst die wij samen ondertekend hebben op 14 juli jongstleden, wens ik te beklemtonen dat ik, gevolg gevend aan uw mondeling verzoek van 14 juli, heb aanvaard om als tussenpersoon op te treden tussen U en de hogere overheden om van hen de goedkeu